Wies van Groningen

Twee woorden keren steeds terug in wat ze zegt. Adat. Voormoeders. Daar gaat het om in Mijn voormoeders van de Molukken, het nieuwe boek van Wies van Groningen. Ze is 85 jaar en het lijkt of ze steeds dieper bij de essentie komt, naarmate ze ouder wordt. Daaruit kwam dit boek voort. En ze heeft een plan, dat even groots als kwetsbaar is. “Er zal wel veel kritiek komen,” vermoedt ze. Die zou weleens mee kunnen vallen. Eerst is er dit nieuwe boek.

“Nieuw,” aarzelt de schrijfster. “Nieuw is misschien een groot woord. Want er staan stukken in die de mensen al kennen uit mijn vorige boeken. Maar niet alles verscheen eerder en de lijn die ik erin heb aangebracht is zeker nieuw. De magische lijn van mijn voormoeders wilde ik zichtbaar maken, en ik wilde laten zien wat die lijn betekent, met een link naar adat.” Dat idee had een lange voorgeschiedenis, te beginnen bij het failliet van het museum Maluku. Het verlies daarvan heeft velen diep geraakt, Wies ook. De vraag naar een veilig onderkomen voor het Molukse erfgoed kwam dichtbij. Want ja, wat was nu eigenlijk haar eigen Molukse erfgoed? In haar huiskamer begon een persoonlijke zoektocht. Elke maand voerde ze urenlange gesprekken met Christien Hetharia (“Zij is ook van mijn dorp”) en Azaria Janwarin (“Hij komt van de Kei-eilanden”). “Mijn metgezellen,” zegt Wies met dankbaarheid. Ze licht toe: “Ik heb een Molukse moeder en al ben ik niet echt opgevoed in de Molukse samenleving, ik heb er toch iets mee. Wat betekent het eigenlijk echt voor me? Het antwoord is dit boek.”

Wies van Groningen werd geboren op Sumatra, te Blangkedjerèn. Atjeh. Haar Hollandse vader Barend Metaal was bij het KNIL, haar moeder heette Clara Hukom. In 1939 vertrok het gezin voor een verlof naar Nederland. Barend Metaal moest terug, maar Clara besloot met de kinderen te blijven. De oorlog voorkwam de gezinshereniging. Wies groeide verder op in Nederland: “Ik werd echt Hollands opgevoed, dacht ik. In 1951, toen de boten met de KNIL-militairen kwamen, begreep ik niet wat het betekende. Wel had mijn moeder altijd gesproken over haar grootmoeder Johanna en over haar moeder Louisa die ooit in een prauw naar het eiland Haruku voer, waar Oma, het dorp van herkomst ligt. Mijn moeder vertelde me ook hoe Louisa in de baileo om begrip vroeg toen haar dochter, mijn moeder dus, met een Belanda ging trouwen. ‘Putus’, legde mijn moeder uit, betekent dat de banden verbroken zijn. Het waren verhalen die ik onvoorwaardelijk geloofde maar die uiteindelijk toch verhalen bleven. Buiten mij bestaand.”


Wies trouwde met een Indische man en kreeg kinderen. Het leven was vol en druk, en dat had zo kunnen blijven als ze niet tot drie keer toe wakker was geschud.

De eerste keer: ze hoorde haar moeder Maleis spreken met Malino-studenten. “Die taal verstond ik niet. En hoe ze lachte, dat ze zo kon klinken, was ik vergeten.” De tweede keer: op haar bruiloftfeest kreeg ze een grote taart van tante An Nikyuluw, die zei dat ik haar pela was. “Ik wist niet wat dat was, pela. Maar ik begreep dat het met bescherming te maken had.” De derde keer was het Johanna zelf, die plaatsnam op een trapje in Wies’ tuin. “Door te verschijnen liet ze zien, dat voor haar de banden niet waren doorgesneden, dat ze me zou beschermen.” De lijn met voormoeders was getrokken en Wies had er een plaats in gekregen.

"Zo Nederlands als wat"

Het klinkt zo mooi: een plaats innemen in je eigen familiegeschiedenis, verhalen verzamelen en vragen stellen. De werkelijkheid is weerbarstig. Niet iedereen van de ouderen vertelt even gemakkelijk over wat in het verleden ligt. Feiten als namen en jaartallen kunnen onvindbaar zijn. Dat ondervond Wies, toen ze in 1992 naar het familiehuis in Oma reisde. “De familie heeft me vlak voordat ik wegging in het oude huis van de Hukoms gebracht. Er werd gebeden en ik kreeg de stamboom te zien, een grote rol papier waar wel namen maar weinig jaartallen op stonden. Omdat ik de taal niet sprak, is mij veel ontgaan. Het is toch iets traumatisch geweest, dat ik als kind mijn moeder hoorde praten zonder haar te verstaan. Of er een andere wereld zichtbaar werd, waarin ik misschien geen plaats zou hebben.” 

Later, tijdens de gesprekken in de huiskamer, ontdekte Wies welke betekenis het Molukse erfgoed voor haar kon hebben. Ze noemt als voorbeeld het fenomeen van de rode zakdoeken. “Het familiehuis is de plaats waar je een rode zakdoek kunt vragen aan het hoofd van de familie. Die rode doek heeft een magische betekenis. Het is de band met je eiland, met je dorp van herkomst. Je moet wel zorgen dat er een rode doek voor in de plaats komt of je geeft hem weer terug, en als je wegblijft en voor altijd weg blijft, dan moet je toch zorgen dat er weer een rode doek in die kist terecht komt. Maar de jongste generatie hier kent dat gebruik niet meer, en in Oma is het nauwelijks nog bekend.”

Nadrukkelijk zegt ze: “Een eenvoudige rode doek is het. Geen boerenbont. Dat is erin gekomen door de VOC-tijd, door de kolonisatie en het christendom van de Nederlanders. Zo is het folklore geworden. Adat is iets anders, daarin schuilen universele betekenissen van wat goed en slecht is, van wat betekenis heeft. Het gaat om adat.” 


De jaren hebben haar inzichten gebracht. “Indirect heb ik het Molukse erfgoed meegekregen via de verhalen van mijn moeder en haar manier van leven. Ik dacht dat ik zo Nederlands als wat was, zoals mijn Hollandse vriendinnen vroeger wel zeiden, maar dat is niet waar.” In het boek noemt ze haar kleindochter van 26, die ook “zo Nederlands als wat” zou zijn. Jet wil graag in deze lijn van voormoeders staan. Zij stelt vragen en Wies vertelt, over Louisa die naar Haruku voer in de prauw en over hetgeen er later gebeurde.

Ooit voer er een voormoeder in de prauw naar Haruku.

Dan is er nog dat ene grote plan. “in een flits dacht ik: er moet een monument komen voor de vergeten KNIL-vrouwen, dat kan haast niet anders. Honderden jaren lang zijn er vrouwen met hun man meegegaan, en waar zijn ze begraven? Niet alleen in de koloniale periode, maar ook tijdens de Bersiap zijn er veel vrouwen die geen graf hebben. Waar moet je dan een bloem leggen, als je niet weet waar je voormoeder is begraven? Dat monument moet voor de onbekende KNIL-vrouw zijn. Een plaats, om haar te kunnen ontmoeten en te eren.” Ze kijkt naar de kleine prauw in haar vensterbank en zegt zachtjes: “Er zijn zo veel voormoeders geweest die ergens, geen mens weet waar, begraven liggen.”

Dit artikel verscheen in 2014 in Marinjo. Tekst en foto’s door Vilan van de Loo.

“Pela had ook met mij te maken”
Getagd op: