Mary en Bob Bernardus

Ze wonen in een kleine flat in Breukelen, Jacobus (Bob) Bernardus (1929) en zijn vrouw Mary. Voor hem kom ik. Hij oogt sportief en ontspannen, een vitale tachtiger, je ziet hem zijn leeftijd niet aan. Al snel neemt ons gesprek een verrassende wending. We spreken over genezen, over de kracht van water, en over de traditie van de Molukse voorouders. Het klinkt gewoon wat hij vertelt, want voor hem is het vanzelfsprekend dat hij met water mensen kan genezen. In mijn hoofd blijft zijn verhaal nog dagen lang doorzingen. Een wonderlijk leven, en het is net of het zo heeft moeten zijn. “Voorbestemd?” aarzelt Oom Bernardus, “dat weet ik niet, hoor.”

Eerst het begin. Zijn geboorte op Ambon, zoon van Willemijntje Pelupessy en Josias Everhardus Bernardus, die ooit op Atjeh diende onder generaal Van Daalen, vertelt hij. “Mijn vader was sergeant Tweede Klasse. Hij mocht geen Eerste Klasse worden, omdat hij Inlands was, Ambonees. Er waren destijds veel Ambonezen bij het KNIL die de Nederlandse nationaliteit voor een rijksdaalder kochten. Hij niet.” Na zijn pensioen vestigde het groeiende gezin zich op Hative Ambon; niet echt een plaats, eerder een lange gerekte straat. “Er stonden een stuk of twintig huizen. Wij woonden in een betonnen huis, dat had mijn vader laten maken. Het is gemaakt met lijzenhout, tegen de termieten. Er kwam geen spijker aan te pas, alle verbindingen waren zwaluwstaart.”
Daar groeide hij oom Bernardus op. Een heerlijk huis, aan de grote weg en nog nabij de baai, die vorige maand zo mooi in Marinjo stond afgebeeld. “Heb je die foto gezien?” vraagt hij. “Van die steigers sprongen wij jongens af. Ik spijbelde veel. We gingen meestal zwemmen. Als ik thuis kwam, vroeg mijn vader: ‘Waar kom je vandaan?’ En ik: ‘O, van mijn vriend daar en daar’. Hij likte aan mijn arm en proefde het. Dan kreeg ik een pak rammel met zijn koppelriem. Dat doet heel veel pijn. Het heeft me gevormd, vind ik.”
Toch bleef het gezellige met vriendjes naar de baai gaan belangrijker dan de school. Goed zwemmen leerde hij zeker. Maar hij werd ook een zittenblijver, keer op keer. “Toen de oorlog uitbrak, zat ik pas in de vijfde klas.”


De zee bracht ook iets anders. Bij eb gingen de jongens voetballen. De marineschepen voeren binnen. “Je kijkt ernaar en je weet, later wil ik bij de marine.” Wanneer, hoe, met welke diploma’s, voor zulke gedachten was geen plaats. Hij droomde en verlangde.
Later in ons gesprek herinnert Oom Bernardus zich iets van vroeger: “Dit heeft mijn broer me verteld. In het gedeelte waar wij woonden, had je een oude man, Opa Luis. Hij was een sjamaan. Toen ik waterpokken kreeg, hebben ze hem geroepen. Hij heeft met kokend water gebeden en dat over me heen gegooid. Misschien heb ik gehuild, dat weet ik niet meer. Daarna waren de waterpokken verdwenen. Ik had geen brandwonden.”

"...en je weet, later wil ik bij de marine."

Nu komt de tweede fase: de oorlog. Eerst was er geen gebrek. “Later wel, aan het einde van de oorlog in 1945. Dan krijg je een tekort aan voedsel, vooral voor de mensen die in de stad wonen. In die tijd gingen we naar andere negorijen ver van de stad waar veel eten te krijgen was. Een overvloed aan knollen. Voor ons was het toen… we hadden eigenlijk geen honger geleden. Ten eerste, op een gegeven moment was mijn broer bevriend met een Japanse officier en we hadden een Islamitische kennis, Radja Lumaela van dorp Kaitedu, aan de overkant van de berg. Mijn broer was bevriend met zijn zoon, ze zaten samen op de Mulo. We konden gewoon erheen gaan en dan kregen we eten. ‘Neem het mee zoals je wil.’ Er was geen gebrek.”
Toch voelt iedereen de zwaarte van de bezetting. “Het was tirannisch”, zegt Oom Bernardus. Hij gaat met zijn broer voedsel stelen, deels uit verzet. “Aan het eind hebben de Jappen zelf geen voeding meer, ze gebruiken onze grond om zelf te planten. ’s Nachts ging ik met mijn broer naar de cassaves, we kwamen tot op vijf meter afstand waar de Japanse soldaten zaten te zingen. Het was riskant. Toen kende ik geen vrees.”
Na de oorlog ging hij niet naar de Mulo. Het werd de marine. Discipline, krijgstucht, elke dag. Bij de herinnering lacht hij: “Ik ben dan al een beetje volwassen. Geen kind meer.” Bij de marine zou hij 33 jaar blijven, inclusief drie verlofjaren op Aruba. 


Waar het om gaat, is dat hij in die periode voor mensen begint te zorgen. De aanleiding was anders dan je zou verwachten.
“De politionele acties begonnen en er kwamen veel gewonden. Er waren weinig
ziekenverplegers. Aan boord van ons schip kwam een bekendmaking: liefhebbers gevraagd voor hulp-ziekenverpleger. Ik was met Frans, een Ambonese jongen, aan boord van een korvet, een Australisch oorlogsschip. Ik zeg: kom Frans, we gaan ziekenverpleger worden. Het was alleen om van boord te komen. Met dat schip voeren we de Zuidkust van Sumatra op en neer om de smokkelschepen met wapens tegen te gaan. Als de radar een vlekje opving, ging het alarm af. Dat gebeurde om de haverklap. Ik was geradbraakt.” In het hospitaal volgden Frans en hij opleidingen. “Erna werden we meteen geplaatst en de gewonden kwamen binnen. Je loopt echt kilometers in zo’n ziekenzaal.” 

Veel meer zegt hij niet daarover. Wel over de aankomst in Nederland, zijn tijd bij de marine en het moment dat hij de Hollanders van hun voetstuk zag vallen. “Ons schip komt aan in de haven en moest wachten. Tijdens ons verblijf aan boord krijg je van allerlei rantsoenen mee: chocola, vruchten in blik en sigaretten. Aan boord zagen we veel mensen op de kade en ze riepen: “Sigaret? Sigaret?” Ik gooide iets. Als wilden gingen ze erop af. Toen dacht ik, hoe bestaat het, dat er zulke Hollanders zijn. Op Java, Sumatra en Ambon ben je als Hollander een halfgod. Als er een Hollander aankwam, maakten we een bocht om hem of haar te laten passeren. Nu vochten die lui om een pakje sigaretten. Wat een verschil. Later kwam je aan de wal en zag de Nederlandse blanke mannen straten vegen, terwijl ze op Ambon ambtenaar of militair waren.”
Weer werd de marineman Bernardus werd opgeroepen voor de dienst. Varen, jaar in, jaar uit over het water.

Ziekenverpleger

In 1980 is Oom Bernardus klaar voor de beslissende fase in zijn leven. In Nederland gaat hij meer lezen: “De geestelijke boeken”, noemt hij dat. Vooral Misaru Imoto over De kracht van water. Dat raakt iets in hem. “Op een gegeven moment dacht ik bij mezelf: ik kan ook wel mensen genezen want ik heb zoveel zware ziekten gehad waar ik weer bovenop ben gekomen. Iets in mij zei: je kàn. Dus eh… zo…” Hij wist, dat water een genezende kracht kan hebben. Voor de zekerheid leg hij het uit.
“Water heeft een geheugen. Het kan je gedachten vasthouden. Dat kun je versterken. Je denkt aan de persoon die genezing nodig heeft. Het is als een gebed, dat je in het water legt. De ander moet het water drinken of soms moet je gewoon als waswater gebruiken of het water gebruiken om over de patiënt te sprenkelen. Het is voor alle ziekten te gebruiken, De essentie is: geloof. In jezelf. In dat wat je doet, goed is. Het is iets van de Molukse cultuur, deze kracht van het gebed. Je prevelt en dan ga je drie keer blazen en zo versterk je het water. Je magnetiseert het water met je geloof, met wat je wenst. En als je genezing wenst aan die persoon, dan zal het gebeuren. Maar toch niet altijd. Het wil niet zeggen dat je alles kunt genezen. Het is een sterk iets, het geloof. Onvoorstelbaar.”
Zijn gave is bekend en erkend. Af en toe komen er mensen naar hem toe voor hulp, en dan helpt hij. Gratis. Om geld vraagt hij niet. En als ze toch iets willen geven? “Dan neem ik. Dan vraag ik 1 euro of 5 cent. Dan is de verwisseling van energie. Dan kan de ander iets teruggeven, voor de gelijkwaardigheid.”


Voor de duidelijkheid. Het was niet zo dat na wat boeken lezen er opeens een gave was. Die is er altijd geweest. Zijn lange weg wees op de ontwikkeling ervan. Altijd is het water aanwezig geweest in het leven van Oom Bernardus, van het zwemmen in de baai tot het bevaren van de oceanen. Zijn compassie met medemensen groeide geleidelijk; verpleger zijn tijdens de Politionele Acties moet ingrijpend zijn geweest. Het is nu, in deze laatste fase, bij elkaar gekomen. Oom Bernardus laat me certificaten en patiëntenverklaringen zien. Hij is erkend als paranormaal genezer.
“Iedereen kan het,” zegt hij bescheiden. “Bij de Molukkers heb je soms een altaar. Daarvoor ga je ook bidden. Als je dag in dag in op dezelfde plek gaat bidden dan is de plek als het ware heilig. Dan is er als het als het ware gegenereerd met je goede gedachten. Mijn principe is: overal kun je bidden, in de trein en tram, gewoon je gedachten laten gaan. Niet alleen met water, gewoon je gedachten gaan naar die persoon… dan gebeurt er iets.”
Het is verbazend hoe eenvoudig het klinkt: “Ik wil mensen helpen.” En: “Wij zijn christen
opgevoed. De kracht is niet van jou maar van God.” Oom Bernardus kan het, dus hij doet het. Hij behandelt zijn vrouw. De familie, en mensen die komen vragen. Wat een lieve oude man, denk ik.
Maar ’s avonds mailt zijn dochter Grace Bernardus me veel foto’s die een ander beeld tonen. Een man vol glamour, bijgenaamd “Omar Sharif”, iemand die de wereld heeft gezien, zo heel anders. En pas dan begrijp ik ten volle, dat er in Breukelen een wonder woont.

Bob als jonge jongen

Dit artikel verscheen in 2015 in Marinjo. Tekst en foto’s door Vilan van de Loo.

“Je legt je gebed in het water”
Getagd op: