Het dienstvak der Intendance bij het KNIL in Nederlands-Indië. A. Kabbedijk schreef in Stabelan (1 augustus 1994) een prachtig artikel. “De taak van de Intendance van het KNIL laat zich in het kort omschrijven als ‘de zorg voor de verpleging van de tot het leger behorende mensen en dieren, zowel in vredes- als in oorlogstijd.’
Bij het KNIL verstaat men onder verpleging alles wat betrekking heeft op de voeding, kleding en uitrusting, kazernering en legering, verlichting (anders dan door electriciteit of gas) en te velde ook de bewassing, drinkwatervoorziening en de aanvoer van goederen.

 

Op 1 oktober 1993 was het 80 jaar geleden dat bij het KNIL het dienstvak der Intendance ontstond. Bij KB nr. 82 dd. 4 maart 1913 werd de Militaire Administratie gesplitst in twee dienstvakken, die der Intendance en die der Militaire Administratie. Als afzonderlijke eenheid bij het KNIL heeft de Intendance slechts van 1913 tot 1945 bestaan. Op 1 november 1945 volgde de opheffing en ging men weer op in de Militaire Administratie en de diensten der Kwartiermeester-Generaal. Zolang het KNIL heeft bestaan is er natuurlijk een ‘intendance-taak’ te vervullen geweest. In de perioden, dat er geen afzonderlijk dienstvak der Intendance was, werd deze taak uiteraard aan een of meer andere legerdiensten opgedragen. Hiervan waren de belangrijkste vooroorlogse de Militaire Administratie, de Genie en de Artillerie. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog zijn de intendance-taken, mede als gevolg van de aanwezigheid van de KL en Marine in Indië, opgedragen aan de diensten der Kwartiermeester-Generaal.

Splitsing

De redenen van de splitsing in 1913 zijn, dat rond de eeuwwisseling de materiele behoeften van het Indische leger omvangrijker worden en het materieel gecompliceerder. Tevens begint dan allengs de ontwikkeling van de binnenlandse industrie een stijgende lijn te vertonen, zodat tal van legerproducten, welke men eerst kant en klaar uit het moederland betrekt, in Indië zelf aan te kopen zijn. Hierdoor doet men steeds meer een beroep op de commerciële en technische bekwaamheden van de militaire intendanten. Ook wijzigen zich de machtsverhoudingen in het Verre Oosten (het keizerrijk Japan begint met zijn expansiepolitiek) en er is steeds meer rekening te houden met een optreden tegen een ‘buitenlandse’ vijand. Bij een dergelijk optre­den zullen ook de methodes van ‘legerverpleging’ anders moeten zijn dan tot dusverre gebruikt met een eventueel optreden tegen een inlandse vijand. Als gevolg van het hiervoor geschetste uitgroeien van de taken der Militaire Administratie en vooral van de steeds meer uiteenlopende aard van de werkzaamheden is het voortdurend moeilijker voor een ‘intendant’ om alle onderdelen van zijn ‘vak’ te blijven beheersen. In de praktijk blijkt vaak dat zij als ‘kwartiermakers’, wat zij van huis uit zijn, het ‘verplegerswerk’ niet die aandacht geven die het verdient.

Door de splitsing krijgt de Intendance in het KNIL een positie van leidinggevend dienstvak. Dit met betrekking tot een belangrijk deel van de instandhouding van het leger, namelijk de voeding, kleding, uitrusting en magazijnbeheer. Ook de gewestelijke intendance in de buitengewesten en het aantrekken van verplegingsofficieren bij de korpsen te velde komt dan voor hun rekening.
De taak van de Intendance van het KNIL laat zich in het kort omschrijven als ‘de zorg voor de verpleging van de tot het leger behorende mensen en dieren, zowel in vredes- als in oorlogstijd.’
Bij het KNIL verstaat men onder verpleging alles wat betrekking heeft op de voeding, kleding en uitrusting, kazernering en legering, verlichting (anders dan door electriciteit of gas) en te velde ook de bewassing, drinkwatervoorziening en de aanvoer van goederen.

Periode tot 1913

Voor de afsplitsing in 1913 zijn zowel de financiële, administratieve als de materiële verzorging van het Indische leger toever-trouwd aan het dienstvak der Militaire Administratie. Aan het hoofd van dit dienstvak staat dan een ‘Hoofdintendant der Militaire Administratie’, terwijl het personeel is verdeeld over drie korpsen. Deze zijn het Korps Militaire Intendanten, het Korps Kwartiermeesters en het Korps Magazijnmeesters.
De tot het korps Militaire Intendanten behorende officieren hebben de leiding over alle tot het dienstvak behorende werkzaamheden en dienen dan ook de gehele admini­stratieve dienst van het leger te beheersen. De officieren en onderofficieren van de beide andere korpsen zijn belast met de uitvoerende werkzaamheden, onderscheidenlijk op geldelijk-administratief en materieel beheer. De aanvulling van het Korps Militaire Intendanten is bij het KNIL rond de eeuwwisseling een merkwaardige zaak. Aanvankelijk geschiedt dit eenvoudig door keuze uit het Korps Kwartiermeesters (de administrateurs), waarbij de ouderdom in rang de enige basis voor aanwijzing vormt.

Begin van de afscheiding

Ten einde de intendanten bij de gewestelijke diensten enigszins te ontlasten van administratief werk, brengt men in 1893 het onderzoek van geldelijke afrekeningen over naar het hoofdbureau. In 1899 zijn op 5 kantoren van de gewestelijke dienst zogenaamde ‘officieren voor de comptabiliteit’ ingedeeld, die met de leiding van de administratieve dienst in het gewest zijn belast. In feite is hiermee de eerste stap gezet op de weg die naar een splitsing moet voeren.
Er ontstaat nu geleidelijk een toestand waarbij duidelijk een onderscheid valt waar te nemen tussen ‘intendance-‘ en ‘militaire administratie-werk’. De bewerking van de onderwerpen op beiderlei gebied gebeurt dan ook veelal door personeel dat zich in één der beide richtingen heeft gespecialiseerd. De enige verbinding tussen de beide arbeidscomplexen vormen dan eigenlijk alleen nog de Hoofdintendant op het hoofdbureau en de gewestelijke intendanten.
Het is de toenmalige Legercommandant, Generaal Van Daalen, die op 12 oktober 1911 het voorstel indient bij de Minister van Koloniën, om de eigenlijke dienst der Intendane, te weten de legerverpleging van het dienstvak der Militaire Administratie, af te scheiden en een nieuw dienstvak, namelijk dat van de Intendance, als een zelfstandig en afzonderlijk orgaan van het Nederlandsch-Indische leger in het leven te roepen.
In zijn voorstel schrijft de generaal onder meer:

“.. De hogere eisen, welke aan de slagvaardigheid van het leger worden gesteld, de vele gewichtige aangelegenheden betreffende de verdediging van Nederlands-lndië, welke gezette studie en deugdelijke voorbereiding vorderen; het meer en meer op de voorgrond treden van de materieele belangen van het individu, waardoor meer aandacht moet worden geschonken aan zijn verpleging onder allerlei omstandigheden, dit alles maakt een afzonderlijke Intendance, welke zich los van andere niet tot haar terrein behorende werkzaamheden, volledig aan haren eigenlijken werkkring kan geven, tot een onafwijsbaren eis….’
‘….Bovendien leert de ervaring reeds, dat de legerverpleging volstrekt niet specifiek tot het terrein van de Militaire Administratie behoort; legerverpleging is niets anders dan voorzien in de materieele behoeften, en deze bepaalt zich niet uitsluitend tot de kleding en de voeding,…. ‘

Het gevolg van dit voorstel is dat op 1 oktober 1913 een scheiding tot stand komt en vanaf die datum beschikt het Indische leger dus over een afzonderlijke Intendance.

intendance KNIL
Rantsoenen rijst, 1928

Periode van 1913 – 1945

Dit is het tijdvak waarin het KNIL een afzonderlijk dienstvak der Intendance heeft. Tot het dienstvak behoren de officieren der Intendance, een aantal onderofficieren (magazijnmeesters, schoen- en kleermakers, schrijvers) alsook burgerambtenaren. De organisatie van het dienstvak bestaat uit:

  •  het ‘Hoofdkantoor der Intendance tevens Afdeling VIIIB van het Departement van Oorlog te Bandoeng;
  •  de ‘Gewestelijke Dienst’ met kantoren te Batavia, Magelang, Bandoeng en Soerabaia;
  •  de dienst van het materieel der intendance, bestaande uit: de directie, de magazijnen van kleding en uitrusting te Ban­doeng, Weltevreden, Soerabaia, Koetaradja, Bandjermasin en Makassar en waarbij tevens opgenomen het Korps Magazijnmeesters (de onderofficieren-magazijnmeester bij de artillerie, genie, luchtvaartafdeling, intendance en topografische dienst);
  •  de inrichtingen, bestaande uit de militaire bakkerij, de militaire wasserij en het magazijn en werkplaatsen in de militaire strafgevangenis, allen te Tjimahi en de Militaire Graslanden.

Met uitzondering van enkele garnizoenskledingmagazijnen bevindt dit alles zich op het eiland Java. Buiten Java is de intendance-taak als nevenfunctie toevertrouwd aan de aldaar gestationeerde functionarissen van de Militaire Administratie, m.u.v. de kledingmagazijnen waar een onderluitenant-magazijnmeester der Intendance de scepter zwaait.

De personele sterkte van het dienstvak is niet overdadig, en alhoewel het KNIL als gevolg van de oorlogsdreiging gaat uitbreiden, neemt de personele sterkte van de Intendance zelfs iets af. Als men tevens bedenkt dat de verzorgingstotalen van het KNIL eind 1917 41.543 personen bedraagt, en dat eind 1934 de verzorgingstotalen ge-stegen zijn tot 60.708 personen (inclusief mobilisabel bestand), is dat dus een toename van 19.165 mensen, of 41,1 %. Ook is een aantal (burger) inheemse werkkrachten werkzaam bij de intendance in­richtingen. Ook hiervan varieert de sterkte met regelmaat. Dit als gevolg van de regeling dat men naar behoefte zgn. ‘vrije werk-krachten’ mag aannemen binnen de begrotingskredieten.

Verpleging in vredestijd

De hiervoor genoemde organisatie heeft betrekking op de vredesverzorging, of anders ‘de verpleging in vredestijd’. De intendancetaken van het KNIL omvatten in vredes­tijd de zorg voor voeding en voedering, kleding en uitrusting, kazernering en legerings-benodigdheden en verlichtingsmiddelen.

De voeding en voedering

Speciaal de voeding heeft bij het KNIL een hoge prioriteit en de voorziening is tevens nogal ingewikkeld. Dit omdat er een groot aantal militairen zijn van diverse ‘landaarden’ welke allen verschillende eetgewoonten hebben. Alle gekazerneerde vrijgezellen krijgen hun maaltijden uit de keuken van de compagnie. In principe voert men per compagnie en per landaard ‘menage’. Indien er echter in een menage militairen van verschillende landaarden zijn opgenomen (zgn. ‘gemengde menage’) moet er voor worden gewaakt dat de voeding der verschillende landaarden in gelijke onderlinge verhouding staat als de per landaard toegekende voedinggelden. Dit om bevoordeling te voorkomen.

Aan de kant van de weg kocht de militair soms bij een warung.

Aangezien bij het militaire leven van de KNIL-militairen het gezinsleven een grote rol speelt en zich vaak grotendeels op de kazerne (tangsi) afspeelt, zijn er ook regelingen met betrekking tot de verstrekking van voeding aan deze gezinnen. Voor de in het kampement gehuisveste gehuwde inheemse militair zorgt zijn echtgenote of huishoudster.

De maaltijden voor deze categorie bereidt men in de ‘vrouwenloods’ en nuttigt deze op de chambree, het eigen gezinskamertje. De gehuwde korporaals en soldaten en de inheemse sergeanten tweede klasse staan ‘buiten de menage’, en ontvangen voedingsgeld. Meestal staat de vrouw in de buurt als de betaling door de compagniesadministrateur plaatsvindt. Het voedingsgeld is secuur berekend naar de gezinssterkte van de militair. Zo lang de vrouw haar man goed te eten geeft, en hij dus fit blijft voor de dienst, blijft hij buiten de menage. Aan ge­zinnen van militairen, welke daar recht op hebben, wordt tevens door de foerier elke vrijdag rijst, en op de laatste vrijdag van de maand zout uitgereikt (in briketjes: dat moesten ze zelf nog fijnstampen).
In de behoefte aan levensmiddelen e.d. voor de menages is voorzien door:

  •  verstrekking van landswege, zoveel mogelijk in natura uit de magazijnen der intendance, hetzij door levering van aannemers met wie door de intendance een overeenkomst is gesloten (de zgn. grote vivres); menagecontracten, welke zijn afgesloten voor artikelen welke niet van landswege zijn verstrekt;
  •  vrije inkoop, dit ter beoordeling van de commanderend officier, indien aanschaffing op andere wijze niet mogelijk of gewenst is.

De aanschaffingen middels menage-contracten en de vrije inkoop laat de Intendance over aan de troepencommandanten. Wei stelt zij de grenzen vast waarbinnen de kosten van de voeding moeten blijven. Op grond van de benodigde levensmiddelen, de voedingswaarde en de aanschaffingsprijzen zijn de voedingsgelden voor elk garnizoen nauwkeurig bepaald. Hierdoor is men ervan verzekerd dat, ondanks plaatselijke verschillen in te betalen prijzen, de voedings­waarde van de te verstrekken voeding landaardsgewijs over de gehele lijn ongeveer hetzelfde is.

Sommige artikelen koopt men regionaal dan wel centraal aan of brengt men in eigen beheer voort. Rijst verkrijgt men door het afsluiten van regionale contracten. Hooi voor gebruik op West-Java t.b.v. de paarden, produceert men op de zgn. Militaire Graslanden, een intendance-bedrijf en brood in de Militaire Bakkerij, ook een in­tendance-bedrijf. In de behoefte aan conserven (voor de buitengewesten en ook voor de Marine, alsmede voor de vorming van mobilisatie- en oorlogsvoorraden) voorziet de ‘Javase Conservenfabriek’ te Bandoeng. Deze heeft zich contractueel met de Intendance verbonden voor bijna zijn gehele productiecapaciteit. De productie vindt ook plaats onder toezicht van de Intendance.
Het toezicht op het door de onderdeelscom-mandanten gevoerde menagebeheer gebeurt door intendance-officieren. Het strekt zich zowel uit tot het administratief beheer, alsook tot de situatie en de gang van zaken in de keuken en het magazijn, en de kwaliteit en de kwantiteit van de vers-trekte maaltijden.

Kleding en uitrusting

Kleding en uitrusting is aan de militairen op soldij voor een deel ‘in beperkt eigendom’in bruikleen afgestaan door de beheerder van het garnizoens-kledingmaga-zijn. Wassen, vullen of herstellen van de kazernering geschiedt door de Militaire Wasserij te Tjimahi, of door plaatselijke aanbesteding of door de gebruikers zelf.

Verlichtingsmiddelen

De zorg voor de levering van brandstof voor lampen met een eigen reservoir verminderde in de dertiger jaren als gevolg van het toenemen van elektrische verlichting, ook in de buitengewesten.

Verpleging in oorlogstijd en tijdens manoeuvres

De verzorging van een leger in oorlogstijd1 wijkt op veel punten belangrijk af van die in vredestijd. Om tekortschieten te voorkomen dient men zich in vredestijd terdege op deze taak voor te bereiden. Ook voor het KNIL is dit van toepassing. Alleen bij het KNIL is het echter zo, dat de toch al spaarzame bezetting van het Korps Intendance-officieren de handen reeds vol hebben aan het zuivere vredeswerk en dat er voor het voorbereiden van de oorlogsverzorging weinig tijd overblijft. Er is een intendance-officier, bij het hoofdkantoor te Bandoeng, wiens volle dagtaak het is om zich in de problemen van de oorlogsvoorbereiding te verdiepen. Om bezuinigingsredenen wordt de­ze echter in 1938 uit de formatie geschrapt.

Het voor oorlogstijd ontworpen verplegingssysteem is vastgelegd in het ‘Verplegingsvoorschrift voor het leger te velde op Java’, waarvan een gewijzigde versie in 1938 verschijnt. De voornaamste wijzigingen zijn het op grond van praktische overwegingen invoeren van acht eenheidsmenu’s. Hierdoor is er geen verschil meer in voeding tussen de verschillende landaarden. De invoering van twee menu’s, met twee broodmaaltijden per dag voor alle landaarden, opent de mogelijkheid om ook op mars- of gevechtsdagen de voeding voor de man op bevredigende wijze te verzekeren. Op die dagen moet het bereiden van warme maaltijd den uitgesloten worden geacht.

Garnizoenskeuken te Salatiga, 1936
Garnizoenskeuken te Salatiga, 1936

Bij het vooroorlogse KNIL beperkt de Intendance-taak zich tot het verstrekken van een volledig rantsoen levensmiddelen en brandstof. Daarmee is de voeding van de soldaat nog niet verzekerd. De bereiding van de maaltijden geschiedt in keukenwagens (twee per compagnie), getrokken door drie paarden en ze bestaan in feite uit twee kookketels opgehangen in een frame. Het geheel is gemonteerd op een twee-wielige as en voorzien van een disselboom. De voorste ketel is bestemd voor het bereiden van soep, de achterketel voor het gaarstomen van rijst, beiden voor een troepensterkte van maximaal 120 man. Als brandstof dient brandhout. Voor het bereiden van vlees beschikt men in de zgn. ‘bagagetrein’ over enkele losse braadpannen. De bereiding van thee geschiedt in de filterwagen (een per compagnie), deze is ook voorzien van twee ketels, elk bestemd voor het bereiden van 100 liter thee. Als de oorlog voor de deur staat zijn t.b.v. mobiele eenheden vrachtauto’s ingedeeld, waarop men dan al deze karren moet laden. Enkele zijn geschikt gemaakt voor getrokken gemotoriseerd vervoer en krijgen rubberbanden. In vredestijd, en dus ook tijdens manoeuvres, vindt de verzorging plaats zonder directe tussenkomst van de Intendance en is zoveel mogelijk gelijk aan de verzorging in het garnizoen. Dit maakt het voor de Intendance zeer moeilijk om zich op haar oorlogstaak voor te bereiden.
In 1939 is slechts bij twee kleine oefeningen de zgn. ‘intendance-verpleging’ toegepast. In 1940 zelfs bij geen enkele oefening.

De redenen daarvan zijn op de eerste plaats natuurlijk weer het ‘kostenaspect’. Als tweede is te noemen het niet beschikbaar zijn van transportmiddelen. Voor oorlogstijd zijn er regelingen getroffen dat de mobilisabele Aan-en Afvoerdienst (AAD) deze taak gaat verzorgen, in vredestijd zijn deze middelen echter niet of nauwelijks beschikbaar.
Het aan eten komen is in vredestijd in Indië trouwens nooit een probleem. Overal bevinden zich eenvoudige eetgelegenheden (warongs) waar de militairen voor een paar centen een redelijke maaltijd kunnen krijgen. Hierdoor is met de verpleging onder oorlogsomstandigheden schromelijk de hand gelicht, en leren de intendanten op deze wijze alleen maar hoe het niet moet. De aan oefening deelnemende troepen en de Intendance hebben geen kans om de vastgelegde systemen te beoefenen en aan de praktijk te toetsen. Tijdens manoeuvres is nooit het voorgeschreven eenheidsrantsoen verstrekt, met als gevolg, dat ook na 12 december 1941, als het KNIL mobiliseert, en geleidelijk te velde trekt, de troepencommandanten bij de Intendance verstrekking van landaardsgewijze voeding aanvragen.

Personeel

De personeelsvoorziening is een bron van grote zorg. Er is een toename van werkaamheden op de verschillende intendance-kantoren en in de magazijnen. Tevens is er de oprichting van nieuwe en uitbreiding van bestaande magazijnen, de oprichting van nieuwe onderdelen en de uitbreiding van de personele sterkte. Dit alles veroorzaakt eind dertiger jaren een nijpend tekort aan officieren, onderofficieren en burger-personeel bij de Intendance. Door het uitbreken van WO II stagneert de aanvulling van beroepsofficieren der Intendance. In het (mobilisatie)tekort is voorzien door oproeping van reserve-officieren bij de Inten­dance. Dit zijn over het algemeen de in Indië aanwezige gepensioneerde officieren der intendance, voor zover zij met in andere landsbetrekkingen onmisbaar zijn (gevangeniswezen), alsmede de beschikbare abiturienten (geslaagden) HKS Intendance. Het militaire magazijnpersoneel is zoveel mogelijk vervangen door burgerpersoneel om te kunnen voldoen aan de oorlogsbehoefte aan militair intendance-personeel te velde. Dit zijn over het algemeen ook de in Indië aanwezige gepensioneerde magazijn-meesters der intendance, voor zover niet als burgerambtenaar reeds in vredestijd bij het dienstvak werkzaam. Ook leidt men enkele tientallen dienstplichtigen op tot bakker en magazijnmeester.

Het personeel wat te velde bemoeienis heeft met het uitvoeren van de intendancetaken zijn van hoog tot laag de navolgende. De commandant van het veldleger beschikt over de intendant van het veldleger als adviseur. Voor de uitvoering van de intendance-taken beschikken de commandanten van troepenafdelingen over een intendant of een als zodanig dienstdoend officier met het nodige toegevoegde personeel en materieel (een verplegingseenheid). Commandanten van bataljons en dergelijken beschikken over een verplegingsofficier (troepenofficier). Bij staven en troepenaf­delingen, waarvoor organiek geen verple­gingsofficier is aangewezen, is een tot de eenheid behorende officier of onderofficier met de functie van verplegingsofficier be-last. De verplegingsofficieren kunnen plaat-selijk voorraden aankopen of in bezit nemen of zij ontvangen de voor hun onderdeel bestemde levensmiddelen van de in­tendance op de hoofdverstrekkingsplaatsen. Zij zijn belast met het transport naar hun onderdelen en met de verdeling ervan over de compagnieen, batterijen, enz. Tevens verzamelen zij gegevens omtrent aanwezige voorraden in hun ressort (legeringsgebied) en verstrekken deze gegevens aan de intendant. Compagnies- comman­danten beschikken over personeel van de bagagetrein, waaronder de foerier en het keukenpersoneel.
De taak van de verplegingsofficier is wel als de zwaarste aan te merken. Hij ontvangt de rantsoenen, laat ze aan de man verstrekken en de voertuigen beladen. Hij zorgt er tevens voor dat de keuken- en filterwagens volledig zijn uitgerust en bepakt. Hij bewaakt, dat alle benodigde levensmiddelen, goederen, brandstoffen en paardenvoeder worden ontvangen of aangeschaft en mee-gevoerd. Hij verstrekt de intendant de be­nodigde gegevens m.b.t. de personele sterkte, plaatselijk beschikbare middelen en de bereikbaarheid van het onderdeel. Tijdens manoeuvres is de verplegingsofficier voor het verkrijgen van de goederen aangewezen op aanvoer vanuit het garnizoen of door plaatselijke aankoop. De Intendance als zodanig staat v.w.b. de oefening dus geheel buitenspel.

Het einde

Op 7 december 1941 wordt Pearl Harbour aangevallen en het KNIL gemobiliseerd. De hierop volgende overgang van vredes- op oorlogsverpleging is zodanig geregeld, dat zolang de gemobiliseerde troepeneenheden nog in hun vredesgarnizoenen verblijven, de verzorging ook nog geheel als in vredestijd plaats heeft. Met andere woorden vrijwel geheel zonder bemoeienis van de Intendance. Als op 1 maart 1942 de vijand op Java landt, hebben de gevechtshandelingen een dermate snel verloop en zijn de bewegingen van de eigen troepen zo onover-zichtelijk, dat er over het algemeen tot aan de capitulatie op 9 maart 1942 van een intendance-geleide aanvoer en verpleging geen sprake is.

De Intendance voert na de Japanse landing nog wel rantsoenen aan, maar de intendanten staan voor de moeilijkheid waar ze af te leveren. Door het pauzeloos heen en weer schuiven van de eenheden door de legerleiding, weten zelfs de commandanten van de eenheden vaak zelf niet meer wat de locatie van hun eenheid is. Laat staan de Inten­dance. Leveren ze het af bij de ‘bagagetreinen’ van de eenheden, als ze die al kunnen vinden, dan kan het wel bereid worden, maar is de opvoer naar de onderdelen vaak uitgesloten. Dit omdat de troepencommandanten hun bagagetreinen zo ver naar achteren hebben gedirigeerd (soms wel 30 km of meer) dat ze er helemaal geen verbinding meer mee hebben.

Na de capitulatie heeft de Intendance van het KNIL nog gefunctioneerd. De toenmalige kapitein-intendant G.I. van Leeuwen is o.a. belast met de bevoorrading van vijf krijgsgevangenkampen in-Malang. Dit omdat de japanners er zelf geen kans toe zagen. In augustus 1942 komt hieraan een einde.
Na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 wordt het KNIL nieuw leven ingeblazen en langzaam neemt de organisatie vorm aan. De diverse wapens en diensten zijn geformeerd. Niet de Intendance echter. Op 1 november 1945 is volgens besluit van de Luitenant Gouverneur-Generaal het dienstvak der Intendance van het KNIL op-geheven.
Het personeel is teruggeplaatst naar de wapens en diensten waarvan ze afkomstig zijn. De intendance-taken zullen verder worden vervuld door de Militaire Administratie v.w.b. beheer en verstrekking. Door de diensten der Kwartiermeester-Generaal, t.w. de Verpleeg- en Transportdienst, de Leger Materieeldienst en de Leger Aan-schaffingsdienst, worden de overige taken vervuld.
Zo komt er na ruim 32 jaar op 1 november 1945 plotseling een einde aan het bestaan van de INTENDANCE van het KNIL.

A. Kabbedijk
Feraadpleagde literatuur/Instellingen:
Verplegingsvoorschrift voor het leger te velde op Java Batavia 1938
Reglement voor de Militaire Bakkerij te Tjimahi Batavia 1939
Voorschrift Menages Batavia 1937
Algemene Order van het KNIL 193a Nr. 2
Handleiding gebruik keukenwagen en filterwagen Weltevreden 1925
De Intendance in het voormalig KNIL door G.I. van Leeuwen Culemborg ongedateerd
Indisch Militair Tijdschrift jaargang 1880-1938
Tijdschrift voor de reserve-officieren van het KNIL jaargang 1937
Order voor de Intendance No. 1 Weltevreden 1929 en Batavia 1939
Regelen voor het beheer van het materieel bij het Departement van Oorlog Weltevreden 1930
Het KNIL van Tempo Doeloe door C.A. Heshusius Amsterdam 1955
Leerboek der Militaire Aardrijkskunde van Nederlandsch-Oost-lndie Breda, KMA 1931
Museum Bronbeek
Sectie Militaire Geschiedenis

Het dienstvak der Intendance bij het KNIL in Nederlands-Indië