1e luitenant F.C.H. Darlang (met baard) ontvangt de militaire Willemsorde, 1905 (KITLV)

 

Je ziet het meteen: militair in Indië. En dat klopt. Die sfeer, het protocol, de natuur- ja. Darlang krijgt hier een onderscheiding, Hij was een van de grote namen uit de Atjeh-oorlog. Nu ligt hij op het militaire kerkhof Peutjoet. Hij was beroemd om veel:  hij kon prachtig dansen, hij had zijn hond Corsar getraind in het opsporen van waaiers waardoor het baasje goede sier maakte bij de eigenaresse

luitenant F.C.H. Darlang beter in beeld.

daarvan. Toen hadden dames nog waaiers, en vooral degenen die voor dame wilden doorgaan. Na zijn dood is er nog geld ingezameld voor een borstbeeld op Peutjoet. Wat hem bespaard is gebleven, is de ontvangst in Nederland.

U weet, ik werk aan een biografie van Van Heutsz. Dus ik kom nu van alles tegen en wat 1904 betreft, valt mij iets op. Een tegenstrijdigheid.

Factor 1: In 1904 haalt Nederland Van Heutsz in als de grote pacificator van Atjeh.

Hoe kon dat? Simpel gezegd hadden regering en bevolking behoefte aan goed nieuws uit Atjeh. Die *#@***## oorlog duurde al zo lang en de zaak kostte ontzettend veel geld. Daar heb je geen kolonie voor. Dus toen men hier iets hoorde over inheemse vorsten die een document van overgave hadden getekend, was een half woord genoeg. Van Heutsz kende de andere helft van dat woord: die Atjeh oorlog was helemaal niet gewonnen. Maar ja, ’t was net zoals nu met een gewonnen voetbalwedstrijd: niemand is meer vatbaar voor rede. Van Heutsz moest zich overal laten huldigen en toespraken houden. Hij moet zéér de pest in hebben gehad. Maar af en toe zette hij deze ongewenste roem strategisch in.

Factor 2: KNIL-mannen kregen in Nederland een beroerd welkom

Toen er in datzelfde 1904 een interview met Van Heutsz werd afgenomen, nam hij zijn kans. Hij pleitte voor een betere opvang van KNIL-militairen, en dat deed hij op een manier zodat je meteen weet: die man kan wat met de pers. Een anekdote hier, een scherpe opmerking daar, het te hulp schieten van zijn vrouw (human interest), er zat voor elk wat wils in het interview. Van Heutsz nam zijn kans om het op te nemen voor de manschappen. Hieronder volgt het volledige gesprek, dat in heel wat Nederlandse kranten en tijdschriften belandde. Iedereen moet het voor waarheid hebben aangenomen. Want ja, wat wisten ze hier van Atjeh en van militaire levens in de Oost?


EEN INTERVIEW MET GENERAAL VAN HEUTSZ
In een interview, dat de heer A. Prell, redacteur der „Deutsche Wohlienzeitung” met gouverneur-generaal Van Heutsz te Nijmegen heeft gehad, maakte de eerste Z. Exc. erop opmerkzaam, dat in ons land nog zoovele ridders van de Militaire Willemsorde of dragers van de medaille voor 12jarigen trouwen dienst gebrek lijden.

Z. Exc. verklaarde, hiervan niets te weten. Wat ik voor mijn oude soldaten kan doen, wil ik gaarne doen, zeide hij. „Geef mij hunne adressen en ik zal er de weken, dat ik nog hier ben, zeker werk van maken. Dat komt nog altijd van de dwaze opvatting onzer werkgevers, dat de Indische soldaat een dronkaard, een onbruikbaar mensch is. Ik vraag u, vrouw, (mevrouw Van Heutsz woonde het gesprek bij) heb je in den laatsten tijd op Atjeh dronken soldaten gezien?”

Men weet hier heelemaal niet, hoe in de laatste jaren de toestanden op Atjeh zijn veranderd

Van Heutsz

Mevrouw Van Heutsz schudde ontkennend het hoofd, en zei: „Neen. Men weet hier heelemaal niet, hoe in de laatste jaren de toestanden op Atjeh zijn veranderd. Ik heb waarlijk toch lang genoeg onder de soldaten verkeerd en mij is gebleken, dat de soldaat vroeger eigenlijk alleen naar de jeneverflesch greep, omdat hem niets anders werd aangeboden. Sedert men de soldatensociëteit (de generaal viel zijn vrouw in de rede en verklaarde, dat hij den hatelijken naam „kantine” had geschrapt, en het woord sociëteit had ingevoerd, die haar ook ten volle toekomt, omdat zij de beide mooiste in Indië zijn. Eerst kwam de „Concordia” te Batavia en daarna de soldaten-sociëteit te Kota Radjah) door een uitgave van over de 20.000 gulden heeft laten vergrooten, uitbreiden en verfraaien, vindt de soldaat daar goede lectuur, onderhoudende spelen, kegelbanen; er worden concerten gegeven. Kortom, hij behoeft zijn heimwee en andere muizennesten, die hij in ’t hoofd heeft, niet meer door jenever te verdrijven. En hij doet het ook niet. Voor 6 cent koopt hij een flesch limonade en voor weinige centen ook andere verfrisschingen.”

En de gouverneur-generaal vervolgde: „En waarom zou de Indische soldaat in een burgerlijke betrekking onbruikbaar zijn? De tijden, dat hij als machine gebruikt werd, zijn voorbij. De lieden moeten zelf denken en wanneer hun aanvoerders zijn gesneuveld, moeten zij zelf weten, wat hun te doen staat. Verouderde principes zijn uit de mode, en daarom zijn wij andere legers vooruit.”

…bij het scheiden verzekerde de generaal nog eens, dat hij voor de hulpbehoevende oud-Indische militairen gaarne doen zou, wat hij kon

Verder werd gesproken over het gevecht bij Batoe Iliq, waarin Z. Exc. werd verwond.„De kogel”, vertelde Z.Exc, „ging door den linker bovenarm en de borst en door de lever. Mijn linker hand kan ik nog niet bewegen, ik heb haar hier laten masseeren, maar het helpt niet. Ik heb ’t indertijd voor de gezondheidscommissie gezegd, maar ik bleef in dienst, omdat ik zei, mijn dienst met de rechterhand alleen wel te kunnen doen. Daarop ging het gesprek in algemeenheid over, maar bij het scheiden verzekerde de generaal nog eens, dat hij voor de hulpbehoevende oud-Indische militairen gaarne doen zou, wat hij kon.


En voordat u het vraagt: dat heeft hij inderdaad gedaan. Dat komt een andere keer aan de orde.

En waarom zou de Indische soldaat in een burgerlijke betrekking onbruikbaar zijn?
Getagd op: