Dominggas Saartje Pattisina


De tegenstelling kan niet groter zijn. Ooit, een paar jaar na het begin van de Eerste Wereldoorlog, moest een jong meisje van school af, omdat ze thuis te arm waren om het te kunnen betalen. Dat meisje heette Dominggas Saartje Pattisina. Vandaag de dag zit zij, nu bekend als Tante Mien, op de bank in haar mooie woning in Cappele aan den IJssel, voor haar gigantische kleurentelevisie. Ze kijkt graag naar soapseries. “Ik ben honderd jaar en één maand,” zegt ze bij onze ontmoeting. Ambon is nooit ver weg. Wanneer ze daar iets willen weten over verre grootouders en wie er ook al weer met wie trouwde, dan bellen ze naar Cappelle. Tante Mien weet alles nog.

Wanneer ik voor de eerste keer op bezoek kom, heeft ze net een groot feest gevierd ter ere van haar honderdste verjaardag. Het wijkcomité organiseerde dat in het ontmoetingscentrum Nunu Mahua, waar vrijwel de gehele wijk van 156 gezinnen en familieleden die dag heen gingen. Honderden mensen, met Tante Mien als stralend middelpunt. Er werd een berichtje naar Marinjo gestuurd en terecht: hoe veel Molukse honderdjarigen wonen er hier eigenlijk? Het stukje in de lokale krant was lovend over Tante Mien, en schreef ook dat die dag “de Molukse identiteit uitgebreid gevierd werd.” Ik nam contact op met de familie en mocht komen.

De eerste indruk? Een tengere gestalte op de bank voor de televisie, ietwat in elkaar gedoken, met een zachtblauw vest aan. Maar toen keek ze op, recht in mijn ogen, en iets in mij wilde een stapje achteruit zetten. Uit ontzag. Er leek een onverzettelijke kracht in haar te schuilen, maar waaruit die bestond en waar die vandaan kwam, begreep ik op dat moment nog niet.
“Nog gefeliciteerd met uw verjaardag,” zeg ik. “Honderd jaar!” Tante Mien corrigeert: “En één maand.” Ze vertelt over het feest, vaak zoekend naar de woorden in het Nederlands. Haar gezondheid is prima, zegt ze: “Ik werk, ik kan koken. Mijn benen zijn snel moe en ik ben een beetje doof, maar hier (ze tikt met een vinger tegen haar slaap) is alles nog goed.”
Volgens de Nederlandse administratie is ze pas 98 jaar. Dat kan niet meer veranderd worden, vertellen de kinderen die er ook zijn. Destijds, in 1951, had de dorpsoudste haar leeftijd aangepast omdat ze ouder was dan haar echtgenoot. En terugveranderen, daarvoor zijn heel veel papieren nodig. Toch jammer is dat.
We spreken af dat we bij het volgende bezoek echt gaan praten. Haar dochter en schoondochter Constance en Rina zullen dan tolken. En: ik mag het hele gesprek filmen.

Dominggas Saartje Pattisina werd geboren op 24 juli 1914, in de kampong Suli (Ambon), als het vijfde en laatste kind in het christelijke gezin. Boven haar zijn twee broers en twee zussen. “Mijn vader heette Hendrik Pattinisa, mijn moeder Maria Persulessy. Misschien ben ik vernoemd naar een tante.” Het dorp is niet groot, niet klein met ongeveer tweehonderd gezinnen. Er is slechts één winkel, een Chinees is daarvan de eigenaar. In Suli gaat ze naar de lagere school, als er tenminste geld is. Haar vader overlijdt al wanneer ze vijf maanden oud is. Hij was KNIL-man. Geen pensioen. En het schoolgeld is in die tijd acht centen per maand, wat veel geld is als je het niet hebt. Er zijn maanden dat ze moet thuisblijven en haar moeder in het huishouden helpt, maar ook maanden dat ze wèl kan gaan: “Rekenen, wiskunde, daar was ik goed in.” Wanneer Mien elf jaar is, komt ze definitief thuis. “Er was te weinig geld voor de school. Wat ik deed? Overdag zocht ik op het strand naar schelpen. Of ik zocht planten voor het eten, voor sajoer. We hadden thuis een boerderij, maar het was toch nodig.”


Zo vliegen de jaren voorbij. De ene dag lijkt op de andere, al komt er toch een verandering. “Toen ik achttien jaar werd, ging ik op de naaikrans Dorcas bij Mamam Apong Matatule, zij is van Timor. De naaikrans is in de school. Bij haar leerde ik haken, weven, borduren, naaien, alles, en daarmee kon ik misschien geld verdienen.” Dat is waar geworden. Tante Mien laat enkele van haar werkstukken zien. Het is wit op wit handwerk, duizelingwekkend precies gedaan, het werk waar scherpe ogen en een vaste hand voor nodig zijn. En vooral: geduld. Denk niet in uren, maar denk in weken. Op zolder staat een kist gevuld met kains, kragen en met kleedjes. Tante Mien is er nog steeds trots op en dat is terecht.

Wie kan zoiets nog, in deze tijd? Toen ze pas in Cappelle woonden, kwamen er vrouwen uit de wijk met verzoeken. Zo kon Tante Mien iets bijverdienen, al was het alleen maar om de kinderen iets extra’s te kunnen geven. Voor luxe was nauwelijks geld. Als ze hierover vertelt, zie ik een andere vrouw verschijnen in deze frêle honderdjarige. Er schuilt een vastberadenheid in haar om nooit op te geven, in welke omstandigheid dan ook. Ze had kinderen, ze had het vaste geloof (“Elke dag uit de bijbel lezen”), ze maakte gebruik van alles wat ze kon. Dat is haar levenshouding: niet klagen over wat je niet hebt, maar kijken naar wat er wèl is.
Maar daarmee lopen we op het verhaal vooruit. Terug naar Suli, naar het ouderlijk huis gemaakt van gaba-gaba (sagobomen).

Ook Pieter Tentua woonde in Suli. “We kregen verkering toen ik 28 jaar ben en hij 23. Hij is militair, net als mijn vader.” Dat was best gewaagd voor die tijd: vijf jaar ouder zijn dan je man. Vrouwen krijgen er nog steeds commentaar op, dus toen zeker. Maar liefde liet zich niet dwingen. De verkering leidde tot een huwelijk, op 19 augustus 1943. “In de oorlogstijd, ja. In 1940 kwamen de Japanners op het eiland, toen begrepen we het. Mijn man was weg, maar voor de bruiloft mocht hij terugkomen.” Het was een groot feest, ondanks de moeilijkheden. Met een vrouw uit het dorp Passo kookte ze zelf. Haar bruidsjapon maakte ze met eigen handen, zwart, dat kleedde haar groeiende figuur mooi af. Ze woonden in bij haar schoonouders. “De Japanners hadden koelies, Nippon had ze gestuurd. Voor die mensen heb ik een jaar gekookt, om geld te verdienen.”
De oorlogsomstandigheden worden zwaarder en veroorzaken een groot verdriet. Hendrik, het eerste kindje, redt het niet. Op de leeftijd van achttien maanden sterft hij door ondervoeding en longontsteking. “We moesten vluchten, naar boven, de bergen in, daar konden we van het land eten.” Daar ligt Hendrik begraven. Er is geen foto van hem, geen doek waar hij in heeft geslapen, er is niets meer, behalve de herinnering aan hem. Maar de kinderen van Tante Mien weten: Hendrik is de oudste broer.

Op een oude foto met haar echtgenoot, Pieter Tentua

In 1951 komt ook het gezin Tentua naar Nederland. Bernard, Harry, Constance en Kris krijgen vier broers: David, Simon, Minggus en Dick. Via Rotterdam, Woerden en kamp IJsseloord (1958) komen ze in 1972 in de wijk Capelle aan den IJssel te wonen. Tante Mien over Woerden: “Mijn man mag niet werken en we krijgen drie gulden per week. Ik kan een beetje Nederlands spreken met de dokter en in de winkels, ze begrijpen me.” Over de politiek wil Tante Mien niets zeggen. Haar aandacht was gericht op man en kinderen, het gezin moest doorgaan, hoe dan ook.
Als Tante Mien in haar eigen taal vertelt over de kinderen, over het belang van bidden en doen wat je kunt, zit ze rechtop. Haar stem klinkt luider en vastberaden. Met scherpe handgebaren onderstreept ze het belang van vooruitkijken, niet blijven hangen in je slachtoffer voelen. Was er weinig geld? Tante Mien gaat handwerken. Ze maakt renda’s voor tjole’s en ze maakt kebaja’s. Koken gaat haar uitstekend af: spekkoek, en tjoetjoer verkoopt ze met succes. Altijd beseft ze: anderen zijn nog armer. Al in IJsseloord is ze lid van de vrouwenvereniging FIKIM, waar ze geld inzamelen als er nood op Ambon is of helpen bij bruiloften en begrafenissen. Ze is hier ook lid van zangkoor Suara Masohi. Tante Mien is geen vrouw om bij de pakken neer te gaan zitten. Wanneer ze 68 jaar is, gaat ze zelfs met haar jongste zoon terug naar de Molukken. Hoe het was? Ze zucht: “Zo warm daar.”


Nu is er veel veranderd. Verdriet en vreugde hebben elkaar afgewisseld. Pieter is in 2000 overleden, veel kennissen en vrienden van vroeger ook. Wanneer Tante Mien naar oude foto’s kijkt, is ze vaak de enige van iedereen die erop staat, die er nog is. Dat is een gemis. Maar er is de vreugde van de kinderen, van wie er altijd wel eentje in huis slaapt. Er zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen. Tante Mien is nu vooral thuis. Ze kijkt tv, ze kookt, als ze in de tuin een zwerfpoes ziet, krijgt die ook te eten. Nog altijd leest ze elke dag in haar bijbel. Ze heeft er twee, eentje is helemaal stuk gelezen.
Ik geloof dat Tante Mien nog uren kan vertellen, ze heeft zoveel verhalen uit haar honderdjarige leven. Het merendeel ervan staat nu op de film. Er is nog één vraag over: wat is het belangrijkste dat Tante Mien geleerd heeft? Ze aarzelt niet. “Tevreden kunnen zijn met kleine dingen. Niet kijken naar wat je ontbreekt. Kijk naar wat je wel hebt.” En dan gaat ze slapen. Na drie uur praten met een fotosessie erbij is ze een beetje moe.

"Kom maar bij Oma," zei ze, en we lachten.

Dit artikel verscheen in 2014 in Marinjo. Tekst en
foto’s door Vilan van de Loo.

Dominggas Saartje Pattisina is honderd jaar (filmpje)