oom Max en tante Jo

Bij Marinjo kwam een bijzondere mail van Gita Lopulisa  binnen, over een echtpaar dat in februari van dit jaar 65 jaar getrouwd was. Of er een hoekje over was, met wat redactionele aandacht voor het briljanten paar. Een hoekje? Veel meer. Zo kwam het, dat ik een paar weken later in huize Seleky zat, in de Molukse wijk van Hoogeveen (Drenthe). Al snel begreep ik, dat hun verhaal veel groter was dan een lang huwelijk. Er gingen werelden in schuil.

In huis was het warm, en dat lag niet alleen aan de centrale verwarming. Er hing die onbestemde sfeer, waardoor een bezoekster zich meteen senang voelt. Die sfeer bezat iets vriendelijks, waardoor je mag zijn wie je bent. Het zat ook in het gezellig tjilpen van de kanariepietjes, het gemak waarmee de volwassen kinderen door het huis banjerden en vooral in de gastvrijheid van Oom Max en Tante Jo. Dat alles is niet zo vanzelfsprekend als het klinkt. Tevoren had ik met de oudste zoon Juan een gesprek gevoerd dat me toch zorgelijk stemde over een interview. Oom Max is zowat doof en Tante Jo heeft al een paar jaar Alzheimer. Juan had gezegd: “Ze vinden het leuk, kom maar.”

Op de tafel lag Marinjo. Met Juan als tolk kwam het gesprek meteen op gang. Ik vroeg meteen naar de viering van de huwelijksdag. Wat doe je als je 65 jaar getrouwd bent? 

Oom Max begint. Hij heeft een stem met gezag, die toch zacht is. Iemand die een vergadering kan toespreken en waarbij dan iedereen vanzelf stil wordt, uit het verlangen te willen luisteren. Iedereen wil zeggen: met uitzondering van Tante Jo. Terwijl Oom Max – goed gekleed, charmant – de ruimte neemt voor een antwoord en expressief zijn woorden onderstreept, zit Tante Jo rechtop, bijna waakzaam over de man en zijn grote woordenstroom. Als zij spreekt, zie ik dat Oom Max zich teder naar haar overbuigt en hoe warm zijn ogen worden. Hij is nog altijd verliefd op het meisje van toen.
Het huwelijksfeest was goed. ’s Morgens gingen ze naar de kerk. Ze kregen felicitaties, zoals van een schriftelijk bericht van de koning en de koningin. Kennissen en vrienden kwamen op bezoek. De werkgroep Maluku Hoogeveen, de Molukse mannenpraatgroep Kaum Ama Am en de smederij/initiatiefgroep Venesluis. ’s Avonds was er een diner in een restaurant met kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Er zijn dertien kinderen: Juan, Martha, Naomi, Rika, Batseba, Boja, Lotje, Rudie, Orpa (die er helaas niet meer is), Ernst, Laura, Els en Emiel. Een groot gezin, dat uitgewaaierd is over heel Nederland. Maar gelukkig wonen er ook kinderen in de buurt, want er is zorg nodig.

"Voor haar zorg ik," zegt de greep van Oom Max.

Hoe Tante Jo vroeger was, is te zien in een foto die aan de muur hangt. Maria Christina Sutina woonde in de stad Solo, haar geboorteplaats. Ze was een Javaans Islamitisch meisje van zeventien jaar toen Oom Max haar ontmoette. Hij zat bij het KNIL. Een militair uit Leksula, van het eiland Buru, die zes jaar ouder was en ook nog eens christen. Daarbij was het 1949, een jaar vol onrust en met weinig uitzicht op vrede. En toch waren ze binnen een jaar getrouwd, in 1950, waarbij Oom Max een officieel huwelijksverzoek heeft moeten doen aan Jo’s vader, een batikker. Tante Jo had zich eerst bekeerd. Hadden ze toekomstplannen?
“Nee,” zegt Tante Jo, en ze glimlacht. “Is militair.” Ze bedoelt: waar een militair gaat, daar gaat zijn vrouw, oorlog of niet. Dan vraag ik of ze ooit bang was. “Neehee,” herhaalt Tante Jo en dan moet ze even hardop lachen. Het idee, zij, bang.


Maar ze had er alle reden voor. Denk alleen al aan haar huwelijksdag toen: er was een legerpredikant die acht paren tegelijkertijd in den echt verbond. Er was weinig familie bij. Een oorlogshuwelijk. Daarna kwam de overplaatsing naar Makasar. “Dienstbevel,” zegt Oom Max en dat Nederlandse woord klinkt opeens heel akelig in die knusse huiskamer. Er komen meer van die woorden in zijn verhaal voor: mortier, beschieting, kerkhof, actie. Juan vertaalt zoveel mogelijk, maar als de stem van zijn vader trilt, aarzelt hij toch. En je vader onderbreken gaat niet. “Gruwelijke gebeurtenissen,” vat Juan samen. “Van de achttien mannen zijn er veertien gesneuveld. Die konden ze nergens begraven. Alles was door de TNI geblokkeerd, ook de watervoorziening. Uiteindelijk vonden ze een plaats voor de graven vlak voor de tangsi. Mijn moeder was toen acht maanden zwanger.”


Zo waren de dagen. Onvoorstelbaar. En toch kwamen ze erdoor. Oom Max vaak weg en Tante Jo die in de tangsi met iedereen kon omgaan, omdat ze wel moest. Plannen maken? Je bent blij als je die dag behouden hebt mogen blijven. Oom Max vertelt verder en weer vang ik enkele Nederlandse woorden op: proclamatie, republiek. Met anderen werd Oom Max naar Semarang getransporteerd voor de demobilisatie. Ik hoor het verhaal, dat elke keer weer in mijn hart snijdt. De inscheping naar Nederland. De aankomst, hier op 12 april 1951. En dan de mededeling van het ontslag. Met tussen de regels door de boodschap dat de trouw aan de Nederlandse vlag, niet van twee kanten is gekomen. Op die manier leg ik het voor mezelf uit, al zegt Oom Max geen kwaad woord over wat er gebeurde. Hij is loyaal, ondanks alles.

Zo waren zij vroeger

En toen waren zij in Nederland. De eerste indrukken van dit land zijn vervaagd. Als ik vraag wat het beste van Nederland is, zegt Tante Jo gedecideerd: “Allemaal bagoes! Maar het is hier koud.” Oom Max geeft ook zijn visie en hij begint met het Suezkanaal wat hem op een bestraffende blik van Tante Jo komt te staan. Dan bindt die grote ex-KNIL-man gehoorzaam in. Ze woonden in kamp Vught, in Stuifzand, daarin in Beugelen en in 1962 wonen ze in Hoogeveen, al die jaren in hetzelfde huis. Oom Max werkte lang bij Philips. Daarnaast was hij actief in verschillende Molukse organisaties, zoals de C.R.A.M.S (Committee Rehabilitation Armymen of Maluku Selatan). Tante Jo zorgde ervoor dat het huishouden draaide en ook, dat de kinderen hun best deden op school. Streng en warm moet het geweest zijn, denk ik. En met eerbied voor het land van herkomst. Als de tv beelden van Soekarno uitzond, keek ze graag: “Het zijn mijn mensen daar.” Vaak werd een van de kinderen meegenomen, als ze terug gingen. Tante Jo heeft er nog familieleden, naar wie ze soms heimwee kan voelen. Oom Max zorgde ervoor dat er op belangrijke momenten de taal van Buru klinkt, zoals bij de belijdenis van zijn oudste zoon. Juan weet dat nog: “Toen het Onze Vader in die taal klonk, zag ik Burinezen die ontroerd waren.”


Dit lijkt me een goed moment om te vragen, wat het belangrijkste advies is dat ze aan de volgende generaties moeten geven. Maar er komt verwarring van. Tante Jo denkt aan haar kinderen en zegt: “Nooit te laat komen.” Oom Max denkt aan de wijkraad, aan al die organisaties die aan hem, de oudere, om raad en deelname komen vragen. Daar vindt hij zichzelf te oud voor of beter gezegd, de jongere generatie moet het stokje maar overnemen. In een persoonlijk gesprek wil hij best raad geven, ook over de adat van Buru, maar om nu weer aan het verenigingsleven deel te nemen, nee. Daar moeten we het mee doen.
Dus zo leven er eigenlijk drie culturen in dat Hoogeveense huis. De Molukse, in het bijzonder die van Buru. De Javaanse. En de Nederlandse. Dan zijn er de dertien kinderen, en inmiddels de negentien kleinkinderen en vijf achterkleinkinderen, die elk ook weer anders zijn. Een uitgebreide familie, en ondanks alle verschillen hadden ze dat ene gemeen: toen Tante Jo Alzheimer bleek te hebben, schrok iedereen zich wezenloos. Hoe moest dat nou?

Bij een diagnose als Alzheimer gaat in Nederland een administratie vanjewelste draaien. Papieren, indicaties, casemanagers, noem maar op, er ontstaat binnen de kortste keren een dossier waar de aandacht voor de patiënt vaak aan ontbreekt. Met Tante Jo lijkt er zo te merken weinig aan de hand te zijn. Soms verwart ze een gebeurtenis van vroeger met die van nu, dat heeft iedereen weleens. Maar er is iets anders, zegt Juan, en dat is een moeilijk onderwerp. Het gaat over zijn zusje Orpa die jaren geleden overleden is. “Mijn moeder zat de laatste nacht bij Orpa’s bed en ze zei: ‘Ga maar’. De volgende dag was Orpa gestorven. We hebben mijn moeder niet zien huilen. Zo beheerst was ze. Voor ons, denk ik. Maar in de laatste jaren ging ze ’s nachts in huis zwerven, op zoek naar haar dochter. Ze is ook een keer van het kerkhof gehaald.”


Het was Oom Max, die duidelijkheid bracht. Géén tehuis. Hier blijven, wat er ook gebeurt. Oom Max is wel oud, maar niet gek. Hij weet heel goed hoe dit gaat aflopen, zoals elk leven afloopt namelijk. Natuurlijk hebben de kinderen naar hem geluisterd. Nu is er een mooi systeem van zorgzaamheid. Elke dag komt iemand van de kinderen om te koken en voor een praatje. Drie keer per week gaat Tante Jo naar een dagopvang, waar opeens herinneringen van vroeger terugkomen. Ze kent Japanse liedjes, ontdekten ze. Er is de thuiszorg, waar Oom Max zijn charme op loslaat tot Tante Jo ontstemd gaat kijken. En iedereen kent die twee mensen die altijd samen zijn: in de wijk en in de kerk en in het ziekenhuis waar ze afspraken hebben. Zelfs de broeders die de ambulances rijden, weten wie ze zijn. De wereld is nog nooit zo klein geweest, en ook nog nooit zo veilig.

Dit artikel verscheen in 2015 in Marinjo. Tekst en foto’s door Vilan van de Loo.

De lange liefde van Oom Max (89) en Tante Jo (83)
Getagd op: