tante Mien Usmany-Sinay

Wat was dat een mooi artikel in de vorige Marinjo. Meteen wilde ik óók naar Tabadila, dat woonzorgcentrum in Middelburg. Zou het er echt zo gezellig zijn als het leek?

Bij de eerste stappen over de drempel voelde ik dat onbestembare van een thuis. Langzaam liep ik door de lange ontmoetingsruimte. Er was veel te zien. De vitrines. De foto’ s van de jonge KNIL-soldaten, sommigen lachend. In een hoek stapels kinderspeelgoed, In Tabadila bestaat het verleden net zo goed als de toekomst. Die middag heb ik een afspraak met tante Mien Usmany-Sinay (91). Ze had geaarzeld om me te ontvangen, want zomaar een vreemde over haar leven vertellen? Maar tante Mien geeft mensen een kans.

Aan het einde van ons gesprek, buigt ze zich naar mij voorover, kijkt me recht aan en zegt: “Ik ben altijd sterk gebleven. Ik ben een vechter. Ik denk over iets en dan moet het gebeuren.” En toch was mijn eerste indruk die van een vrolijke, liefdevolle vrouw met een stralende lach, het middelpunt van de familie. Op het feest ter ere van haar negentigste verjaardag was iedereen er. De kinderen, kleinkinderen en ook de twee achterkleinkinderen, en zelfs de ex’en want hier geldt: eens bij de familie, altijd bij de familie.


Het gesprek begint eenvoudig.

Hoe is haar leven in Tabadila?
“Het is hier goed. Ik lees, ik kijk naar de televisie, het is goed om bij te blijven. Dan weet je wat er in de wereld gebeurt. Als het lukt, ga ik naar buiten.” Even wijst ze op haar knieën. Artrose. Dankzij haar rollator komt ze waar ze zijn wil. “Ik leg gemakkelijk contact met mensen. Je praat, het gaat vanzelf. Maar je moet ook met je eigen mensen blijven omgaan, dat is belangrijk. Bijna al mijn kinderen zijn met Hollanders getrouwd. Mijn zoon Sem is met een Molukse getrouwd. Daar heb ik voor gebeden, dat iemand van mijn kinderen met een van onze eigen mensen zou trouwen en niet met een Hollander. Dat zijn ook mensen. Maar geen Molukkers.”

'Dit is niet van zilver of van goud, maar van eeuwigdurende waarde."

“Ik ben een anak kompenie.” Zo begint het levensverhaal. Anak kompenie, een ‘kind’ van het KNIL. “Mijn vader was bij het KNIL. In Tjiltjap op Java ben ik geboren, in Magelang en in Semarang ben ik opgegroeid. Het was in 1930 dat mijn vader me naar de HIS stuurde, de Hollands Inlandse School, de lagere school. Hij zei, je moet niet alleen met je eigen mensen omgaan. Van het jaartal ben ik niet zeker. Vroeger kon ik alles zó zeggen, nu niet meer.”
“Toen ik naar school ging, was ik misschien 10 jaar. In die tijd verhuisden we naar Makassar, op het eiland Celebes. Daar ging ik naar een andere lagere school. Ik zat in de vierde klas, toen mijn moeder in verwachting raakte van mijn broertje. Mijn broertje werd geboren. Mijn moeder was toen al ziek en ze is een paar maanden later gestorven. Ik moest van school af en voor het gezin zorgen. Wat wist ik? Ik was een kind.”


Het kòn niet anders, toen. Voor dit jonge meisje op Makassar veranderde haar leven, van de ene dag op de andere. De ene dag: een gelukkig gezin, haar oudste zuster al getrouwd en zijzelf een gewoon schoolkind. De andere dag: alles moeten doen in dat grote huishouden, en daarbij het verdriet om haar moeder.

“Gelukkig woonde mijn tante naast ons, zij heeft mij elke dag geholpen. Ze leert me hoe ik voor mijn broertje moet zorgen, hoe ik alles moet regelen, dat wist ik niet. Anderen gaan naar school, maar ik niet meer.” De weken werden maanden, en de maanden werden drie lange jaren. Dan komt er weer een verandering. Op aandringen van de familie trouwt de vader opnieuw. “Ik kreeg een stiefmoeder. Ze was niet onaardig. Het was toch anders… niet eigen. Mijn hartsgeheimen kon ik niet vertellen. Er kwamen meer kinderen en mijn vader zei: denk erom, jullie zijn allemaal mijn kinderen.”
“Op een ochtend zijn we in de kerk en mijn stiefmoeder zegt tegen me, dat ik dadelijk even de luiers van broertje moet gaan wassen in de kali, daar was een steen. Dat doe ik. Maar ik voel me bang. Er is iets en als ik omkijk, zie ik een slang van wel zeven meter lang. Ik ren naar huis en durf niet meer terug. Als mijn vader vraagt waarom ik huil, dan zegt mijn stiefmoeder over de slang, zij heeft mijn zuster gestuurd om te was op te halen.”


Zo zijn er meer verhalen. Maar tante Mien vertelt niet alles wat ze zich herinnert, ook omdat de vrouw die haar stiefmoeder werd, later de grootmoeder van de kinderen zou zijn. En bovendien heeft ze zich verzoend met wat er gebeurde. “Het was een moeilijke tijd maar je leerde om verder te gaan.” De emoties van toen zijn er nog wel. Terugdenken aan wat er was, betekent weer iets voelen van de eenzaamheid en het verdriet. En dan komt er oorlog. “Omdat ons gezin militair is, worden we opgepakt en geinterneerd. Zo blijven we op Makassar tot de oorlog voorbij is. Ik blijf bidden. En dan ontmoet ik mijn man in het kamp. Ik was zo blij!”
Op Balikpapan (Borneo) trouwen ze, middenin de oorlogsjaren. Een huwelijksreis zit er niet in. De ene verplaatsing volgt de andere op, na de capitulatie komt de Bersiap, de de politionele acties werpen hun schaduw vooruit. Tante Mien vertelt, in korte zinnen, met levendige beelden, en dat brengt alles dichtbij. “We werden met alle militairen in een grote boot verplaatst.” Wat kun je doen? Niets. Haar tweede kind: “Frederik is in Singaradja op Bali geboren, en een paar maanden later stierf hij aan longontsteking in Soerabaja. Daar is hij begraven.”


Het vertrek naar Nederland, en hoe ze daarover denkt? “Boos? Ik zeg wel: het is niet eerlijk gegaan. Maar ik ben blij dat we hier gekomen zijn. Als je wilt, kun je hier leren. Zelf had ik niet de gelegenheid.”

Een gezinsfoto uit kamp Seisweg.

Nederland betekent in eerste instantie: een gezondheidsonderzoek in doorgangskamp Amersfoort. Dan kwam kamp Vught, bij ‘s-Hertogenbosch. Daarna komt Middelburg: eerst in het kamp Seisweg, daarna in de wijk en uiteindelijk besluit het gezin Usmany-Sinay uit de wijk te gaan: “Ik was nieuwsgierig naar Nederland, dus ik wilde van binnen niet op slot. In het kamp voelde ik me opgesloten. Buiten het kamp maakte ik gemakkelijk contact met mensen. Ik werd toen ook lid van de Bond van Plattelandsvrouwen, daar volgde ik cursussen over opvoeding en dan probeerde ik dat toe te passen. Mijn man is altijd bij het bestuur, bij het maatschappelijk werk, hij heeft veel contacten en ik werk met hem mee.”

Het is ondanks alles een tijd van bloei. Ze krijgen hier drie kinderen erbij, en hebben er dus nu zeven. De taal blijkt lastig voor haar man Seppi, maar dan bedenkt tante Mien iets dat haar man meer helpt dan een cursus: “Ik lees veel, dan neem ik zinnen uit een boek en zoek de betekenis ervan op. De basis van de taal heb ik nooit gehad, dat is wel jammer.”
Dankzij haar talenkennis ontstaat er een vriendschap met de Nederlandse familie Roelse uit Veere. Op hun boerderij mogen de kinderen elk weekend komen spelen, en iedere keer ligt er een rolletje Rang-zuurtjes voor ze klaar.

Ach, er valt zoveel te zeggen over wat er geweest is. Een leven van 91 jaren is rijk aan gebeurtenissen, goed en minder goed. Dat ze haar man heeft verloren is een groot verdriet geweest, maar er was de troost van de kinderen. Drie lange maanden sliepen ze beurtelings bij haar: “Het huis was zo groot en leeg. Daarna zei ik: nu gaat mammie het alleen proberen.” En dat heeft ze gedaan.

We praten verder over verlies, en over hoe het kan dat ze niet boos en bitter is geworden. Haar leven had eigenlijk zo anders moeten gaan. “Ik heb veel verdriet gehad. Dat laat ik los, omdat ik op Boven vertrouw. Op een dag was ik stil en wist, ik wil een geschenk geven aan al mijn kinderen en kleinkinderen. Ik heb uit de Bijbel iets laten maken, aan de ene kant het Onze Vader en aan de andere kant de Tien Geboden. Toen het klaar was, heb ik ze toegesproken: ‘Dit is niet van zilver of van goud, maar van eeuwigdurende waarde. Als ik er niet meer ben en je komt in de moeilijkheden, lees dit dan, dan is dit de troost voor jullie.'”


“Blijf bidden,” benadrukt tante Mien, blijf wie je bent, help elkaar en leef eenvoudig.”
We zijn even stil om alles wat gezegd is te overdenken en in die stilte gebeurt dat ene. Ze buigt zich naar mij voorover en zegt: “Ik ben altijd sterk gebleven. Ik ben een vechter.” En ik kan alleen knikken. Ja, zo is het.

Samen

Dit artikel verscheen in 2014 in Marinjo. Tekst en foto’s door Vilan van de Loo.

“Blijf bidden, blijf wie je bent”
Getagd op: