DETA-jongens en de Kroonduiven reünie

deta jongens
Website: www.West-Papua.nl

“Gezond en vrolijk”, zegt Guus Sahetapy herhaaldelijk, als een van zijn honderden broers vraagt hoe het met hem gaat. Hij staat bij de ingang van de grote zaal waar de DETA-jongens elkaar ontmoeten. “We zijn broers, allemaal”, zei hij eerder tegen me. “We kennen elkaar langer dan we onze familie kennen, wij delen een lotsverbondenheid.” Die gaat lang terug, naar de jaren dat Guus met zijn broers op Nieuw-Guinea woonde en werkte. Nu is hij alweer 75, maar vandaag is hij weer de jongen die van Java vertrok.

Zwembad

Door de ogen van Guus kijk ik om me heen. Al die jongens, niet veel verschillend in leeftijd. Destijds gingen ze weg van Indonesië, na een lange tijd van oorlog en Bersiap. Ze tekenden een contract met DETA, om te beginnen voor een jaar. Een pop vijftig per dag verdienden ze, kost en inwoning inbegrepen. Op de foto’s in de bijzaal staan ze allemaal: de armen over elkaar, lachend in de lens. Maar ik zie ook meisjes, zittend op de rand van het zwembad. Guus legt uit: “Er waren ook ambtenarengezinnen uitgezonden. Die meisjes groeiden daar op. Die gingen dan wel zwemmen maar dan lette de vader altijd goed op. Het was daar niet zo ontspannen en vrij.”
De reunie is uitverkocht. Er is veel, erg veel belangstelling, vertelt Ankie Davies van de organisatie, juist nu de jaren gaan tellen voor deze generatie. Maar afscheid nemen is ook beseffen wie er nog wel zijn, en dat zijn vertellers zoals Guus: “Ik weet alles nog, alles.”

Bioscoop

“Ik was net 16 toen ik ging, twee oudere broers gingen mee. Wij wilden wèg uit het land. Toen ik kwam was ik een kind dat meteen volwassen moet worden. Maar ik had geen heimwee naar mijn ouders, dat kwam, er was geen toezicht, je mocht alles, je was daar vrijgevochten. Je werkte hard hoor. Huizen bouwen, goten graven, wegen en waterleidingen aanleggen, alles deden wij DETA-jongens. Na een jaar kon je blijven werken. Dat heb ik gedaan.”
“Ik was 28 toen ik Nieuw-Guina verliet. Na 12 jaar ging ik weg, dat was in 1962. We moesten. In Nederland kwam ik in een contractpension in Bennekom, later in Velp. Ik voelde me goed, ik had gespaard, en ik was nooit thuis want ik ging overal logeren. Het was alleen, je gaat van een warm land naar een koud land. De Hollandse meisjes… dat was een openbaring. Op Nieuw-Guinea noemden ze ons ‘tuig van Laban’, ze trokken hun neus voor ons op, maar hier, je kon gewoon met een meisje praten en als ze je aardig vond, ging ze met je naar de bioscoop. Ik heb mijn schade ingehaald. Daar heb ik enorm van genoten. Later werd ik wel ongelukkig, toen ik ging werken. Als je licht van huid was, kreeg je meer kansen. Er was nog steeds die koloniale mentaliteit.”
Guus Sahetapy vertelt verder. Zijn gezin. Zijn vele reizen, ook naar Nieuw-Guinea met zijn oudste zoon. En dat hij eigenlijk nergens thuishoort, niet daar, niet hier, en ook al niet op de Molukken waar zijn vader geboren is. Alleen vandaag is hij thuis, tussen al die andere DETA-jongens.

Jarigen

De zaal is inmiddels tjokvol, en iedereen wacht tot de band gaat spelen. Het programma loopt tot ver na middernacht. Heerlijke catering, bingo, foto’s en films, wat een organisatie zit hier achter. Om één uur ’s nachts is er alweer dansen met muziek, en dat is nadat de nieuwe jarigen om 12 uur precies zijn toegezongen. Als de DETA-jongens onvermoeid doorfuiven, lig ik thuis op één oor.

 


 

Dit artikel verscheen een hele tijd geleden in Moesson.  Werkgroep Kroonduiven (DETA) Reünie: klik en kijk hier voor de website 

Geen pardon voor saboteurs

Lin Scholte (Familiearchief)

Lin Scholte (1921-1997) schreef ook over oorlog en de tijd die erna kwam. In de bundel Takdiran staat een verhaal waarin haar oom Miran voorkomt. Een droevig verhaal. Lins familie was Hollands, Indisch en Indonesisch – er was in die moeilijke jaren altijd wel iemand die in de knel zat.  Misschien gaat daar haar werk in het hart over: haar grote familie verscheurd door oorlog.

Hieronder het verhaal. Meer lezen? Alles staat in haar verzameld werk.

Geen pardon voor saboteurs

Niet lang na de politionele actie, toen de Nederlandse troepen in Malang waren, verhuisden mijn oom Miran en tante Roos met hun kinderen van Blimbing naar Malang, op Rampalbunul, waar ze hun intrek namen in het huis van Roos’ moeder.

Aan het grote exercitieterrein dat Rampal heette, stonden aan twee zijden Europese huizen. De ene zijde, die aan kampung Rampalbunul grensde, deed gemoedelijk aan. De huizen stonden er verder uitéén, de erven waren ook breder en dieper, ertussendoor liepen gangen of smalle weggetjes die zich na korte tijd naar rechts of links ombogen, verder naar achteren toe: het hart van kampung Rampal. Aan die weggetjes stonden keurige stenen of halfstenen huisjes gerijd met schoongeveegde, goed onderhouden erfjes. Miran en Roos woonden in één van die huisjes. Schuins achter hun woonden haar oudere zuster Sih en Basiran met hun kinderen. Hun erven liepen in elkaar.

Toen Miran er pas kwam, bleek Sih er alleen te wonen met de kinderen; Basiran was nog in de bergen waar hij zich verschool. Hij durfde niet goed terug te keren, vertelde Sih. Maar na enkele maanden keerde hij toch terug, omdat Sih hem verzekerd had dat het rustig was in Malang en dat haar zwager Miran geen last van de blanda’s had, ofschoon hij ze toch bevochten had toen hij dienst deed in het Republikeinse leger.

Op een morgen tegen elven droeg Miran zijn jongste op de arm en wiegde het kind in slaap. Hij probeerde het tenminste. Het was de hele morgen al lastig en huilerig geweest (alsof het kind het voorvoelde, zei Miran later). Miran liep het paadje naast het huis op en neer met de huilende baby, toen Basiran het pad kwam oplopen op weg naar zijn huis. Hij maakte een praatje met Miran, en probeerde het kind te sussen door ertegen te praten en er gekke gezichten tegen te trekken. Toen dat niet hielp, vond hij het welletjes en liep verder het paadje af, zeggende dat hij het zo warm had en een bad ging nemen. Miran antwoordde met een grapje en ging voort met de baby te wiegen.

Juist toen deze leek te zullen inslapen, hoorde Miran op de weg buiten het plotselinge afremmen van motoren en het geknars van wielen, even later gevolgd door het doffe, regelmatige geluid van laarzen op de verharde weg. Miran zag een gewapende troep blanda-militairen in hun straatje komen. Telkens maakten een paar mannen zich los uit hun groep, liepen de erven op en drongen de huizen binnen. Enkelen kwamen ook naar zijn erf. Miran liep ze tegemoet en vroeg in het Nederlands wat de heren wensten. Zichtbaar verrast antwoordde de commandant van de troep dat zij een persoon zochten die Ran heette en hier zou wonen. Even flitste het door Miran heen: ze weten het! Ik ben erbij!

Zich vermannend maakte hij zich bekend als Djemiran, vóór de oorlog sergeant eerste klas bij de luchtdoelartillerie, stamboeknummer 27954, en hij stond daarbij stram voor zover dat mogelijk was met een baby op de arm. De commandant schudde het hoofd en zei dat de naam voluit moest zijn: Ba-si-ran.

Mirans gezicht verstrakte toen hij aan zijn zwager dacht; tegelijkertijd voelde hij intuïtief dat deze niet veel goeds boven het hoofd hing. Daarom antwoordde hij omstandig dat hij, Dje-mi-ran er woonde met vrouw, kinderen en schoonmoeder. Maar terwijl Miran met de commandant sprak, waren de anderen doorgelopen, recht op het huis aan van Sih en Basiran.

‘Als u wilt kunt u inzage krijgen van de militaire bescheiden in mijn bezit,’ bood Miran aan, verlangend de man zo lang mogelijk op te houden om zijn zwager de kans te bieden tot vluchten. Vergeefs, want de commandant werd door zijn manschappen weggeroepen achter Mirans huis. Miran vertelde later: ‘Ik voelde me zo stijf als een plank en kon geen stap meer doen toen de man zich van mij afwendde.’ Miran hoorde Sih iets roepen, iets onverstaanbaars. Het klonk dringend, pleitend, wanhopig en toen schreeuwde ze lang en hysterisch. Een schreeuw die verloren ging in het oorverdovend gedaver van een korte vuurstoot uit een stengun. Ze hadden Basiran te pakken gekregen. In zijn blootje in de badkamer, waar hij dacht zich te kunnen verbergen toen hij merkte niet meer te kunnen vluchten.

Hij lag als een levensgroot vraagteken op de vloer van de badkamer, de vingers van zijn rechterhand nog gekromd in de plooien van zijn baddoek.

Later, nadat het lijk was weggehaald, wierp Miran emmers water over de vloer en tegen de wand van de badkamer om alle sporen te verwijderen. Verbijsterd, grenzeloos verbitterd ook. Hij had het niet voor mogelijk gehouden dat blanda’s zonder vorm van proces iemand zouden executeren.

Hij had het niet voor mogelijk gehouden dat blanda’s zonder vorm van proces iemand zouden executeren.

En waarom zou de Indische soldaat in een burgerlijke betrekking onbruikbaar zijn?

1e luitenant F.C.H. Darlang (met baard) ontvangt de militaire Willemsorde, 1905 (KITLV)

 

Je ziet het meteen: militair in Indië. En dat klopt. Die sfeer, het protocol, de natuur- ja. Darlang krijgt hier een onderscheiding, Hij was een van de grote namen uit de Atjeh-oorlog. Nu ligt hij op het militaire kerkhof Peutjoet. Hij was beroemd om veel:  hij kon prachtig dansen, hij had zijn hond Corsar getraind in het opsporen van waaiers waardoor het baasje goede sier maakte bij de eigenaresse

luitenant F.C.H. Darlang beter in beeld.

daarvan. Toen hadden dames nog waaiers, en vooral degenen die voor dame wilden doorgaan. Na zijn dood is er nog geld ingezameld voor een borstbeeld op Peutjoet. Wat hem bespaard is gebleven, is de ontvangst in Nederland.

U weet, ik werk aan een biografie van Van Heutsz. Dus ik kom nu van alles tegen en wat 1904 betreft, valt mij iets op. Een tegenstrijdigheid.

Factor 1: In 1904 haalt Nederland Van Heutsz in als de grote pacificator van Atjeh.

Hoe kon dat? Simpel gezegd hadden regering en bevolking behoefte aan goed nieuws uit Atjeh. Die *#@***## oorlog duurde al zo lang en de zaak kostte ontzettend veel geld. Daar heb je geen kolonie voor. Dus toen men hier iets hoorde over inheemse vorsten die een document van overgave hadden getekend, was een half woord genoeg. Van Heutsz kende de andere helft van dat woord: die Atjeh oorlog was helemaal niet gewonnen. Maar ja, ’t was net zoals nu met een gewonnen voetbalwedstrijd: niemand is meer vatbaar voor rede. Van Heutsz moest zich overal laten huldigen en toespraken houden. Hij moet zéér de pest in hebben gehad. Maar af en toe zette hij deze ongewenste roem strategisch in.

Factor 2: KNIL-mannen kregen in Nederland een beroerd welkom

Toen er in datzelfde 1904 een interview met Van Heutsz werd afgenomen, nam hij zijn kans. Hij pleitte voor een betere opvang van KNIL-militairen, en dat deed hij op een manier zodat je meteen weet: die man kan wat met de pers. Een anekdote hier, een scherpe opmerking daar, het te hulp schieten van zijn vrouw (human interest), er zat voor elk wat wils in het interview. Van Heutsz nam zijn kans om het op te nemen voor de manschappen. Hieronder volgt het volledige gesprek, dat in heel wat Nederlandse kranten en tijdschriften belandde. Iedereen moet het voor waarheid hebben aangenomen. Want ja, wat wisten ze hier van Atjeh en van militaire levens in de Oost?


EEN INTERVIEW MET GENERAAL VAN HEUTSZ
In een interview, dat de heer A. Prell, redacteur der „Deutsche Wohlienzeitung” met gouverneur-generaal Van Heutsz te Nijmegen heeft gehad, maakte de eerste Z. Exc. erop opmerkzaam, dat in ons land nog zoovele ridders van de Militaire Willemsorde of dragers van de medaille voor 12jarigen trouwen dienst gebrek lijden.

Z. Exc. verklaarde, hiervan niets te weten. Wat ik voor mijn oude soldaten kan doen, wil ik gaarne doen, zeide hij. „Geef mij hunne adressen en ik zal er de weken, dat ik nog hier ben, zeker werk van maken. Dat komt nog altijd van de dwaze opvatting onzer werkgevers, dat de Indische soldaat een dronkaard, een onbruikbaar mensch is. Ik vraag u, vrouw, (mevrouw Van Heutsz woonde het gesprek bij) heb je in den laatsten tijd op Atjeh dronken soldaten gezien?”

Men weet hier heelemaal niet, hoe in de laatste jaren de toestanden op Atjeh zijn veranderd

Van Heutsz

Mevrouw Van Heutsz schudde ontkennend het hoofd, en zei: „Neen. Men weet hier heelemaal niet, hoe in de laatste jaren de toestanden op Atjeh zijn veranderd. Ik heb waarlijk toch lang genoeg onder de soldaten verkeerd en mij is gebleken, dat de soldaat vroeger eigenlijk alleen naar de jeneverflesch greep, omdat hem niets anders werd aangeboden. Sedert men de soldatensociëteit (de generaal viel zijn vrouw in de rede en verklaarde, dat hij den hatelijken naam „kantine” had geschrapt, en het woord sociëteit had ingevoerd, die haar ook ten volle toekomt, omdat zij de beide mooiste in Indië zijn. Eerst kwam de „Concordia” te Batavia en daarna de soldaten-sociëteit te Kota Radjah) door een uitgave van over de 20.000 gulden heeft laten vergrooten, uitbreiden en verfraaien, vindt de soldaat daar goede lectuur, onderhoudende spelen, kegelbanen; er worden concerten gegeven. Kortom, hij behoeft zijn heimwee en andere muizennesten, die hij in ’t hoofd heeft, niet meer door jenever te verdrijven. En hij doet het ook niet. Voor 6 cent koopt hij een flesch limonade en voor weinige centen ook andere verfrisschingen.”

En de gouverneur-generaal vervolgde: „En waarom zou de Indische soldaat in een burgerlijke betrekking onbruikbaar zijn? De tijden, dat hij als machine gebruikt werd, zijn voorbij. De lieden moeten zelf denken en wanneer hun aanvoerders zijn gesneuveld, moeten zij zelf weten, wat hun te doen staat. Verouderde principes zijn uit de mode, en daarom zijn wij andere legers vooruit.”

…bij het scheiden verzekerde de generaal nog eens, dat hij voor de hulpbehoevende oud-Indische militairen gaarne doen zou, wat hij kon

Verder werd gesproken over het gevecht bij Batoe Iliq, waarin Z. Exc. werd verwond.„De kogel”, vertelde Z.Exc, „ging door den linker bovenarm en de borst en door de lever. Mijn linker hand kan ik nog niet bewegen, ik heb haar hier laten masseeren, maar het helpt niet. Ik heb ’t indertijd voor de gezondheidscommissie gezegd, maar ik bleef in dienst, omdat ik zei, mijn dienst met de rechterhand alleen wel te kunnen doen. Daarop ging het gesprek in algemeenheid over, maar bij het scheiden verzekerde de generaal nog eens, dat hij voor de hulpbehoevende oud-Indische militairen gaarne doen zou, wat hij kon.


En voordat u het vraagt: dat heeft hij inderdaad gedaan. Dat komt een andere keer aan de orde.