Te koop: MWO

De advertentie stond zomaar op Marktplaats. Te koop aangeboden, een MWO. Foto erbij. En inderdaad, het was de Militaire Willemsorde. Vraagprijs 25 euro. Haast voor niks.

Toen ik op de foto inzoemde, leek de onderscheiding me oud te zijn. Misschien komt het wel uit Atjeh, dacht ik met hoop en angst. Hoop, want dan opende de decoratie een deur naar het verleden. En angst, want je weet nooit wat er meereist aan kwade krachten, over geesten zal ik maar niet beginnen, daarvoor is er indertijd te veel gebeurd, misschien wel in combinatie met degene die de MWO kreeg toegekend.
Maar toch, 25 euro.
Een buitenkansje.
Als het echt was.

Er ging een mail naar de verkoper om opheldering te vragen over de lage prijs. Dat leek me eerlijk. Misschien wist de man niet wat hij had, op rommelmarkten vind je ook waardevolle spullen in bak van ‘alles voor 1 euro’. Of het kon hem niet schelen, dan was het iets uit de dozen van de zolder die nou eindelijk eens leeg moesten en zo verdiende hij er nog wat aan.

Een Militaire Willemsorde zie je niet vaak te koop aangeboden. Dat komt doordat er een verplichting bestaat de onderscheiding na je dood terug te laten sturen naar de kanselarij. Het grootste deel van de nazaten lijkt dat te doen, gezagsgetrouw. Een ander deel niet en na een paar generaties gaat iets vaak zwerven. Zeker nu, want de waardering voor een decoratie voor Atjeh is veranderlijk. Nog maar enkele decennia terug was er een herinneringscultuur met belangstelling en respect voor het KNIL. Er waren verenigingen en reünies, veteranen en kinderen en kleinkinderen waren trots op dit gedeelde verleden. Daar is weinig van over. Ik kocht tweedehands een doos vol Stabelan-tijdschriften en realiseerde me toen pas goed het verschil. In die tijdschriften lees ik artikel na artikel, elk geschreven met een hartstocht om de feiten en emoties vast te leggen, te bewaren voor een nadere studie of gewoon voor de toekomst. Elke bladzijde zegt: het KNIL was belangrijk, het was en is deel van Nederland. U en ik weten hoe negatief er nu over wordt gedacht.

Na een poosje kwam er een mail terug van de MWO-verkoper. Hij klonk gepikeerd, voor zover je dat uit een mail met zekerheid kunt opmaken. De man mailde dat ik gezien de prijs toch wel zelf had kunnen bedenken dat geen echte was en de groeten. Hij wéét wat het is, begreep ik, en dat maakte alles weer goed.

(Deze column verscheen eerder op Dagblad070.nl en meerdanbabipangang.nl)

Van Heutsz als luchtpresident

militaire luchtvaart
Detachement Militaire Luchtvaart, 31 augustus 1946 te Batavia. (Wikimedia Commons/ Nationaal Archief)

Aan het begin van de twintigste eeuw was de lucht leeg. Vliegtuigen waren zelfzaam. De techniek eiste ontwikkeling en ontwikkeling kostte geld. Wie financierde deze moderniteit, vol belofte en vol onzekerheid?

Op 19 november 1910 waren er vliegwedstrijden en vliegdemonstraties te Soesterberg. Een zeldzame activiteit nog. Aanwezig waren onder meer “veel militaire autoriteiten” en generaal Van Heutsz was er ook. In 1910 had hij zijn termijn als gouverneur-generaal van Indië volgemaakt. Nu woonde hij in Amsterdam waar hij een nieuw leven als zakenman trachtte op te bouwen. Kansen zien en investeren hoorde daarbij. En hij had oog voor de nieuwe techniek. Als dat wat werd met die vliegtuigen, waren ze mogelijk inzetbaar voor de defensie van Indië en Nederland. De Arnhemse Courant gaf een ontmoedigend verslag:

Om 2 uur steeg Wijnmalen op, doch moest spoedig dalen wegens een defect aan den linkervleugel. Nadat de machine hersteld was, maakte hij een vlucht van 6 minuten. Ruim 2 uur gingen Kuiler en Koolhoven gelijktijdig de lucht in en volbrachten een proefvlucht van enkele minuten. Te 2.38 steeg Wijnmalen voor de derde maal op en daalde na een mooie vlucht van 23 minuten.

Dat was dus al heel wat: 23 minuten. Defecten konden verholpen worden. Elders in de wereld werden al langere vluchten gemaakt, wat perspectief bood. Van Heutsz zag, evenals anderen, zijn kans. In december meldde het Algemeen Handelsblad:

Naar wij vernemen is met een maatschappijk kapitaal van ƒ 500,000, verdeeld in 1000 aandeelen van f 500, opgericht een maatschappij, die zich ten doel stelt de vervaardiging en verkoop van vliegtoestellen hier te lande. Van dit kapitaal worden voorloopig uitgegeven f 250,000, waarvan circa f 140,000 wordt besteed voor het in eigendom verkrijgen van de vliegterreinen te Ede en Soesterberg met gebouwen, loodsen, tribunes, vlieg-machines, auto’s, motoren, werkplaatsen nu f 110,000 voor werkkapitaal.
Als voorzitter treedt op de oud-gouverneur van Ned.-Indië J. B. van Heutsz; als commissarissen de heeren mr. A. G. W. baron Bentinck, burgemeester van Stad en Ambt Ommen, S. A. F. baron Creutz te Roosendaal, D. Fockema, hoofdconsul van den A.N.W.B. te Arnhem, G. J. C. A. Pop, directeur-generaal der posterijen en telegraphie Den Haag, B. W. van Wederen baron Rengers, secretaris der Ned. Automobielclub Den Haag. Als directeur treedt op de heer J. F. Verwey, directeur der Verwey en Lugard Maatschappij.

Een half miljoen, dat was destijds veel geld. De plannen laten geloof in de luchtvaart zien evenals ambitie. Om Van Heutsz als voorzitter te hebben, stond goed in de pers. Anno 1910 was hij een bekende Nederlander, met invloed in regeringskringen. In alle opzichten dus een geschikt boegbeeld, te meer daar hij zelf gecharmeerd was van vliegtuigen. Verschillende keren maken de kranten melding van zijn aanwezigheid bij demonstraties. Of hij ook zelf heeft gevlogen? Dat is waarschijnlijk, vlieglessen waren populair.

Luchtvloot

Natuurlijk werd dit nieuws ook in Indië gevolgd. De Sumatra Post schreef: “Nu wordt Generaal Van Heutsz heelemaal luchtgraaf of luchtkoning!”, somde de hoge bedragen op, en citeerde indirect de generaal: ‘Hier beneden is het niet,—zegt generaal van Heutsz. Nu wordt het ineens duidelijk dat hij iets groots van plan was, want bij was immers telkens in de vliegkampen.’ Waarschijnlijk hoopte Van Heutsz op het kunnen samenstellen van een luchtvloot. Voor zijn eigen defensieplannen gedurende zijn GG-tijd was altijd te weinig budget geweest, in Nederland werd ongelofelijk lang vergaderd over een vlootwet waarmee ter zee een defensie mogelijk werd, dus vandaar zijn: “Hier beneden is het niet.”

Failliet

De Maatschappij voor luchtvaart moet aanvankelijk goed hebben gelopen. Er is sprake van een toeloop van duizenden mensen: kijkers en vermoedelijk ook kopers van de vlieglessen. De vliegdemonstraties kregen ook een society-gehalte. Daar kon men zich laten zien. De aanwezige dames kleedden zich er extra goed voor, wetende dat er fotografen van de pers rondliepen. Over 1910 kon de Maatschappij tevreden zijn.
En ook 1911 gaf reden voor optimisme: er verscheen een fraaie brochure, via een nieuwe tramlijn was de bereikbaarheid een stuk groter en beroemde buitelandse piloten – aviateurs – kwamen demonstraties van hun kunnen geven. Kon niet misgaan. En toch gebeurde dat, door een samenloop van pech, van interne conflicten en door zaken die inmiddels niet meer achterhaalbaar zijn. Eind 1911, begin 1912 werd duidelijk dat de Maatschappij failliet was.

Mannen met een lege mouw

Ooit, in de tijd dat Nederland nog wist wat oorlog was, verschenen er keer op keer militairen in romans. Ik bedoel: in romannetjes die goedkoop en populair waren, iedereen las ze en iedereen begreep iets van oorlog en hoe beroerd je dan terug kunt komen. Een paar generaties geleden was dat. Wie leest dat spul, behalve ik?

In de novelle Miss Campbell (1902) van Melati van Java verschijnt een Atjeh-veteraan aan een meisje. Ik citeer: “En nu zag Clementine dat zijn linkermouw slap en ledig afhing, maar ook dat een ordelint zijn knoopsgat versierde.” Zijn antwoord: “Ja, maar mijn rechterhand blijft me over! Mag ik u die toereiken, Clementine?” Dat mocht, en daarna waren ze zowat getrouwd, lege mouw of niet. Het ordelint, een suggestie van Militaire Willems Orde (MWO), hielp. Melati van Java leefde van haar pen dus ze schreef alleen over wat haar publiek kende en waardeerde.

Zoiets snappen we nu niet meer. Dat destijds overal in het dagelijks leven het militaire element aanwezig was, en dat in veel families iemand tekende koloniale leger overzee. Of die man terugkwam, was een heel ander verhaal. Velen stierven, anderen vestigde zich voorgoed, en de terugkeerders waren vaak niet meer de man die ze waren. Ook dat begreep iedereen. Door het lezen van die oude boeken besef ik pas goed hoe diep de kloof tegenwoordig is tussen de wereld van de militairen en die van de burgers, alle social media ten spijt.

Natuurlijk is het logisch dat een kazerne met oefenterrein niet naast het centraal station ligt. Uiteraard is zoiets geen dagopvang voor nieuwsgierige burgers. En of er nu wel of geen uniform op straat te zien mag zijn, is nauwelijks duidelijk. Veiligheid voor alles, dat is ook belangrijk. Er is evenwel een bijeffect. Wat je niet ziet, vergeet je, langzaam en zeker.

Ooit was Den Haag een stad vol koloniale militairen. KNIL-officieren in uniform, op hoogtijdagen met al hun decoraties waarvan iedereen wist: dit betekent dat, en dat betekent dit. Koningin Wilhelmina, het staatshoofd, benoemde enkele officieren als haar persoonlijke adjudant, een bewijs van eer en respect. Dat was voor de Tweede Wereldoorlog, waarna het KNIL in een ander licht kwam te staan.

Maar al die mannen van toen, die bereid waren te sterven voor de Nederlandse vlag, waar zijn ze gebleven in ons geheugen, in de Haagse herinnering?

 

(Deze column verscheen eerder op Dagblad070.nl)

Frits van Daalen en het verbod op slavernij

slavernij

Tijdens de militaire expeditie door de Gajo, Alas- en Bataklanden van 1904 kwam overste Van Dalen met eisen en voorschriften. Op 3 juni kwamen de hoofden naar een grote bijeenkomst waar Van Daalen deze eisen mededeelde. Ruimte voor onderhandeling was er niet meer.

Wat opvalt, is de eis tot directe afschaffing van de slavernij: zowel de tot slaaf gemaakten als hun nazaten moesten direct vrij gelaten worden. Dat was in lijn met de afschaffing van de slavernij in de kolonie, wettelijk gezien in 1860. In de kolonie Suriname werden slavenhouders door de overheid financieel gecompenseerd. Daarvan lijkt hier geen sprake te zijn. En dan, een vrijgelaten slaaf kon aan de andere kant van een berg weer tot slaaf gemaakt worden.

De Sumatra-bode schreef op 9 augustus 1904 over de hoofdenvergadering onder meer:

Inmiddels had de overste boodschappers naar alle wettige hoofden van het landschap gezonden, met opdracht dezen aan te zeggen dat zij den 3en Juni, begeleid door den door ons erkenden Kedjoeron Petiambang, Bédén genaamd, de man die met de Pendengcolonne z’n entree in het Kedjoeronschap had gedaan,—hunne opwachting moesten komen maken by dgn vertegenwoordiger van het Gouvernement. In optocht kwamen ze aangezet, de pengoeloe Si Doeablas en alle ondergeschikte hoofden, om de gelofte van trouw aan de Kompeuni af te leggen. In krachtige, duidelijke bewoordingen werden ban door Overste van Daalen hunne verplichtingen voorgehouden, die in ’t kort op het navolgende veerkwamen:
le Nn het gebied der Gajo Loeos daadwerkelijk behoort tot het gouvernement van Atjeh en Onderhoorigheden, waren zij gehouden het door ons als wettig erkend hoofd dezer streek—Kedjoeron Petiambang—ook als zoodanig te huldigen.
2e Alle bevelen middels den Kedjoeron door de Kompeuni gegeven moeten worden opgevolgd.
3e Onderlinge twisten tusschen de verschillende gampongs of hunne hoofden moeten tot het verleden behooren. De beslechting van geschillen zij den Kedjoeron overgelaten, die hiertoe langs vredelievenden weg zal geraken.
4e Slavernij of het koopen van menschen mag niet meer voorkomen, alle indertijd gekochte personen en hunne afstammelingen zijn vrij.
5e De bruidsprijs, die door een verkeerde adat in de laatste jaren zeer hoog was opgevoerd, hetgeen belemmerend werkte op het sluiten van huwelijken, moet weder op haar vroeger peil worden teruggebracht en mag hoogstens 100 dollar bedragen.

Na iedere door den overste geuitem wensch brachten allen hunne handen aan het voorhoofd samen onder het uitsproken van het woord „trimo“ (ik neem het aan.)

Daarmee was de slavernij bepaald niet voorbij. In december van datzelfde jaar citeerde het Bataviaasch nieuwsblad uit de besprekingen over de Indische begroting: “Met opheffing der slavernij zal langs vreedzamen weg worden voortgegaan.” Dat klonk naar heel, heel langzame verandering.

Toen het KNIL naar Den Haag kwam

Strikt genomen bestond het KNIL nog niet in 1927. Wel het Oost-Indisch leger. Het was in 1927 dat een detachement van dit leger naar Nederland reisde en op 14 juni in de Hofstad applaus en waardering oogstte, van de modest and the mighty.

Het detachement was speciaal samengesteld om de staatsbegrafenis van generaal Van Heutsz bij te wonen. Dat moest een imponerend evenement zijn, dus het KNIL hoorde er ook bij. De mannen werden zorgvuldig geselecteerd, ook met het oog op de verwachte aandacht in de pers. Gedecoreerd sprak aan. Heldendaden verricht in Atjeh eveneens. Al met al telde het detachement zo’n veertig manschappen, waarvan bijna niemand buiten Indië was geweest. Ze zouden Nederland puur op charme veroveren.

De staatsbegrafenis duurde een middag. De week erna treinde het detachement naar Den Haag. Op het Centraal Station werden ze feestelijk ontvangen door hoge autoriteiten. Daarna marcheerden ze onder enorme publieke belangstelling via het Plein en het Buitenhof naar Huis Den Bosch waar de koninklijke familie verwacht werd. Tegen drie uur ‘s middags arriveerde de auto. Wilhelmina en haar echtgenoot Hendrik, vergezeld van kroonprinses Juliana, namen vervolgens het defilé af. Daarna kwam de receptie, waar Hare Majesteit belangstelling toonde voor de prachtige decoraties.

Uiteraard was de pers positief.

Ik heb hele reportages uit de archieven gehaald, ook over de bezoeken die het detachement aan andere steden bracht. Steeds hetzelfde patroon. Hoge omes aan het station. Toespraken. Marcheren en defileren. De bevolking die uitloopt. De mannen van het detachement die zich laten filmen en fotograferen en zowat op elke foto lachend staan. Het fascineert. Net een toneelstuk.

En ik denk: zo was Nederland toen, zo gemakkelijk lieten we ons meeslepen door verhalen en foto’s. Het detachement bezat glamour en verder werd er weinig nagedacht. De emotie regeerde, ongeveer op dezelfde manier als nu, wanneer de koloniale tijd ter sprake komt. Er is nauwelijks nog een gesprek mogelijk. Iemand roept “oorlogsmisdaden” en daarna ben je goed of fout. Dat is een verlies, hopelijk van tijdelijke aard.

De vraag die ons verder brengt is de vraag naar het waarom. Ja, waarom dit charme-offensief van het detachement? Waarom die koninklijke ontvangst in Den Haag van aandacht en waardering? Het antwoord is ontluisterend. Nederland wist dat Indië op weg was naar zelfstandigheid, vroeger of later. Koloniaal geknuffel moest het ‘later’ maken.

En Den Haag juichte.

(Deze column verscheen eerder op Dagblad070.nl)

De man zonder straat

In Den Haag zocht ik tevergeefs naar de generaal Van Daalenstraat. Iedereen uit Atjeh heeft er een straat gekregen: Van Heutsz, Loudon, Rooseboom, noem maar, noem maar, namen waarvoor eens een halve natie ontzag voelde. Atjeh, u weet wel. Die koloniale oorlog. Toen froeher. Ja, en nog steeds, min of meer, misschien, eigenlijk – deel van ons verleden, van onze geschiedenis, van wie wij nu zijn.

Generaal G.C.E. van Daalen, Frits voor intimi, is overgeslagen toen de straten in het Bezuidenhout verdeeld werden over de generaals. Het waarom-daarom ligt voor de hand: men vond hem te controversieel. Want Van Daalen was weliswaar net als de anderen goed gedecoreerd in die oorlog, hij had eigen macht en invloed en daarbij was hij commandant van het KNIL geweest, dus allemaal super, alleen was er dus die maatschappelijke rel in 1908. Over zijn bestuurlijke optreden. Over zijn militaire expedities in Atjeh. Woorden als moord en nodeloze wreedheid klonken, de pers publiceerde, de politiek debatteerde, mannen van gewicht overlegden in achterkamertjes en het eind van het verhaal was dat Van Daalen een schurk heette te zijn.
Iedereen sloeg over dat Van Daalen een schakel was in een keten van gezag en verantwoordelijkheid, een keten die eindigde met de kroon van het staatshoofd Wilhelmina. Dat idee kwam niet zo goed uit.
Barbertje moest hangen, Barbertje hing, en tot op de dag van vandaag hangt hij nog.

Nu hebben we dus een man zonder straat. Van Daalen heeft geen monument, zoals Van Heutsz er meer heeft. Een park is evenmin naar hem vernoemd. Zijn naam kom ik wel tegen in Rijswijk, maar ja, dat is weer geen Den Haag. Leuk weetje: Van Daalen woonde na zijn pensionering in de hofstad en is er zelfs in 1930 gestorven. Weer een reden om alsnog een straat naar hem te vernoemen. Misschien kan de lange Van Heutszstraat in twee worden gesplitst, en dan krijgt het deel voorbij de Rooseboomstraat een nieuw naambordje. Eerlijk is eerlijk, als je een wijk vol koloniale straatnamen hebt, dan hoort Van Daalen er ook bij.

Ik weet dat er stemmen roepen over herbenoemen en meer van dergelijke uitspraken. Niet naar luisteren. Want die straatnaambordjes gaan niet over degenen die vernoemd zijn. Ze gaan over degenen die de vernoemingen uitkozen. De mensen die vrees voelden voor een rel over de generaal Van Daalenstraat. Is het Haaghe nog steeds zo’n bange stad?

 

(Deze column verscheen eerder op Dagblad070.nl)

De rechte rug van Oom Latu

oom Latu

Meteen als de huiskamerdeur openga, kijkt hij me aan. Direct. Vorsend. Oom Latu zat recht voor die deur, wat je noemt op een strategische positie. Wanneer ik hem een hand geef, kijkt hij even wat priemender. Iets is er goed gegaan, want Oom Latu zit kort erna aan de tafel, klaar voor het interview. Hij is bereid iets over zijn lange leven te vertellen. Lang, inderdaad: want als het gegeven is, viert hij volgend jaar januari in zijn woonplaats Breukelen zijn honderdste verjaardag. Dat klinkt oud. Maar hij is alleen oud in jaren. Zijn stem klinkt helder en vast, hij is zo idealistisch als een jongeman en hij heeft een mooi plan voor september. Dat kom ik later allemaal te weten.

Eerst praat ik met de kinderen, vooral met Rudy en Frans. Als ze vertellen over hun jeugd in Utrecht, zie ik ze veranderen in de jongens die ze zijn geweest. Dat enthousiasme. Maar ook het plichtsgetrouwe, van ‘s avonds wel uitgaan maar dan ‘s morgens op tijd in de kerk zitten, desnoods slapend met je hoofd tegen de bank voor je. Ze vertellen honderduit over de kelders, de barretjes, de vriendengroepen, alles, tot de zwijgende aanwezigheid aan die tafel de hele huiskamer overheerst. Het moment voor ons gesprek is gekomen.

Verjaardag

Die dag spreekt Oom Latu geen Nederlands. Daarvoor is zijn verhaal te groot. En zelfs met de vertaling door Rudy en zijn echtgenote Fien komen we tijd te kort. Ik hoor dat schrijfster Sylvia Pessireron een boek maakt met interviews met ouderen en twee dagen hier is geweest, dat wordt iets om naar uit te kijken. Vandaag gaat het vooral over de oorlog en over een groot verdriet uit de Molukse geschiedenis dat ik nog in geen enkel Hollands geschiedenisboek heb kunnen vinden. Maar eerst: de 99ste verjaardag. Hoe is die bijzondere dag gevierd?
Rudy vertelt: “Er is een kerkelijke dienst gehouden, een paar oudjes bij wie nog zijn, waren aanwezig, en de familie uiteraard. Voor zijn verjaardag heeft hij een financiële bijdrage gegeven aan de kerk.” Want ja – geld is altijd leuk, maar zijn levenservaring heeft Oom Latu geleerd dat er veel is, dat zwaarder telt. Voor hem is dat: de eenheid, in de wijk en onder de Molukse gemeenschap. Daar hecht hij aan, en dat brengt hij in de praktijk. Bij feesten in de wijk is hij altijd lid van het organiserende comité. Dat is de vrolijke kant. Een droevige is er ook. Vanuit de Molukse gemeenschap is er in vorig jaar een herdenkingsceremonie ontwikkeld, waarin op elk Moluks graf in Breukelen een bloem is gelegd. Daar is hij ook bij geweest. Herdenken is vasthouden, in de omhelzing van het blijven herinneren, ook wanneer het pijn doet.

Militair

Oom Latu is op 5 januari 1916 geboren te Itawaka (Saparua) als Julius Latumaerissa. Zijn vader heette Josefus Latumaerissa, zijn moeder heette Angganita Wattimena. “Mijn moeder leek op een Hollander, ze was ook lang voor een Molukse.” Er waren acht kinderen in het gezin, vier jongens en vier meisjes, hij was de derde jongen. Een zusje woont in Wierden, zij wordt in december 97 jaar.
In Itawaka hebben de ouders een moestuin, daar leven ze van. Het is een soort boerenleven, eigenlijk. Rudy heeft in 1978 iets van die tuin gezien: “Mijn vader heeft er als kleine jongen kruidnagelbomen geplant en die zijn goed gegroeid. Alle kruidnagelen die daarvan geoogst worden, zijn inkomsten voor de familie daar.”
Voor de jonge Julius was iets anders weggelegd dan een leven in de tuin. Hij mocht en wide dominee worden; en daar begint eigenlijk het grote verlangen naar eenheid dat zijn leven beheerst. Zorgen voor een eigen kudde; dolende schapen terughalen, dat zou hij doen. Op zijn twintigste woonde hij bij zijn oom Samuel Latumaerissa, die ook dominee is. Het is dan 1936. Een tijd waarin mooie verhalen over de militaire dienst circuleren. Wat je hebt als je in dienst bent, dat het eigenlijk een goed leven is. Het sprak hem aan. Dat wilde hij eigenlijk veel liever dan een kudde schapen hoeden. Erop uit trekken, het volle leven in met kameraden.
Zo kwam het dat in 1936 Julius zich bij het KNIL aanmeldde, overtuigd dat er hier een nieuwe toekomst op hem wachtte. Maar hij werd afgekeurd. Erna probeerde hij het weer, en nóg een keer, en uiteindelijk is het met tussenkomst van zijn grootmoeder in orde gekomen. “Het handgeld was toen zestig gulden. Ik kwam bij het KNIL in 1938 als gewoon soldaat.” Niet iedereen zal hem met vreugde hebben uitgewuifd. Er was Johanna Tahapary, degene met wie hij zou trouwen. Zou… In de jaren voor de oorlog gaan de ontwikkelingen heel snel. Julius kwam via opleidingen bij de marechaussee. Na de aanval op Singapore aan het begin van de oorlog werd de marechaussee naar Medan geroepen. Met die afstand, de oorlogssituatie en de chaos van alle omstandigheden moesten de trouwplannen afgeblazen worden. In Palembang voelde Julius het diepe verdriet daarover in zijn hart. “Ik wilde het rechtzetten. Me verzoenen met het verleden. Daarom heb ik daar de dominee gevraagd om te bidden en het zo af te sluiten, zodat ik verder kon gaan.” Dat is gebeurd. Maar nog twinkelen zijn ogen en lacht zijn mond als hij haar naam noemt.

Oorlog

Nu komen de oorlogsverhalen. Het zijn geen stoere anekdotes die altijd goed aflopen. Het is evenmin een sentimental journey. Oom Latu zit met een rechte rug aan tafel en vertelt, waaraan hij sinds die tijd waarschijnlijk elke dag heeft gedacht. Het lijkt, of hij niets vergeten is.
Hij weet nog: dat Singapore gevallen was, en ze de jungle introkken voor guerrilla, met steun van de bevolking. Sergeant Smit trok eruit, op verkenning. Kwam hij binnen drie dagen niet terug, dan moesten zij verder trekken. Na de derde dag maakten ze hun wapens onklaar en begroeven ze met uniformen. Ze zouden proberen om Sumatra te bereiken.
Hij weet ook nog: het zoeken naar een boot. Eten krijgen van een dorpshoofd en moeten denken aan kameraden die dan honger hebben. En hoe dat voelde, weet hij ook nog: het verdriet dat de eenheid van de kameraden verbroken was.
En later: de vreugde, toen sergeant Smit toch bleek te leven.
En dan is er dan andere wat er gebeurde, iets dat voor mensen van na de oorlog niet goed te bevatten is. Gevangenschap. Zijn generaal Overlaken die van de Japanners een formulier moet ondertekenen dat over capitulatie gaat. Hij weigert. De Japanners dreigen, zetten hem onder druk. De generaal blijft weigeren en daarmee is zijn lot beslist.
Executie.
De generaal vraagt aan Oom Latu of hij de laatste maaltijd voor hem wil maken. “Ik heb sajoer gekocht. Ik had rijst en kip. Daarmee heb ik gekookt. Koffie wilde hij maar ik had geen melk. Toen heb ik thee gemaakt. De volgende dag werd de generaal onthoofd.” Wat kon hij doen, zonder wapens, tegen een overmacht?
Hier houden de oorlogsverhalen nog lang niet op. Er volgen lange jaren waarin de Japanners hem van het ene oord naar het andere transporteren. Van Pakum Baru naar Medan, vandaar naar Birma om aan de spoorweg te werken. Dan weer naar Batavia – oom Latu soms alle plaatsen op in de juiste volgorde, maar ik zie alleen oor mijn geestesoog die jonge man, middenin de oorlogstijd, die liever het KNIL in wilde dan dominee worden. Uiteindelijk, zegt Oom Latu, zijn ze iemand tegengekomen die vertelde dat er een bom op Hiroshima was gegooid.
Oom Latu was toen 29 jaar.

Nederland

Net als vele anderen vertrok ook Julius Latumaerissa naar Nederland. Op 14 april 1951 verliet de boot de haven van Soerabaja, met aan boord Julius en zijn vrouw Dorthea Likumahwa en hun baby Benjamin, die enkele maanden oud was. Op 15 mei zette het gezin voet aan wal in Rotterdam. Daarna kwamen de kampen, waarna ze verhuisden naar Breukelen. Maar in deze paar zinnen gaat een ander verhaal verscholen en dat gaat over Benjamin, over Bennie, zoals hij werd genoemd. Rudy vertelt: “Mijn broer is geboren in Soerabaja en hij heeft de overtocht meegemaakt. In Westerbork heeft hij nog een paar maanden geleefd. Toen is hij door de slechte omstandigheden gestorven, hij was zes maanden oud.” En Rudy vertelt meer: over de grote aantallen kindergrafjes uit die tijd, allemaal door dezelfde oorzaak, en te vinden overal waar Molukkers in die tijd hebben gewoond. Het doet pijn aan mijn hart om dit te horen, al die kinderen en daarmee ook al die gezinnen met een lege plek, waar iemand had moeten opgroeien. Dat is genoeg voor een levenslange wrok, denk ik. Maar daarvan is niets te horen in de verhalen die Oom Latu me vertelt.
Keer op keer gaan ze over saamhorigheid, over trouw zijn aan elkaar, in het klein en in het groot. Zijn stem haperde alleen toen hij sprak over de kameraden in de jungle, verder niet.

September

En nu? Oom Latu woont met zijn tweede echtgenote Robekka Ukolseja in de Molukse wijk te Breukelen. De wijk is slechts twee blokken groot, en er wonen aan een kant van de straat ook Hollanders. Elke zondag gaat hij naar de kerk en dan zit hij op zijn vaste plaats, vlak voor de verwarming. De kinderen komen graag op bezoek, net als zijn kleinkind en de vier achterkleinkinderen. Zij kennen de verhalen over vroeger, zegt Rudy: “Hij hoefde het eigenlijk nooit speciaal aan ons te vertellen. We hoorden zijn levensloop van kleins af aan, want bij elk doopfeest en iedere bruiloft zat hij bij zijn oud-kameraden en dan wisselden ze hun verhalen uit. Zo groeiden we ermee op.”
Oom Latu knikt bij wat Rudy zegt, zeker, zo gaat dat. De kinderen moeten het ook weten, van de Molukken. Daar hoort hij thuis. Beter gezegd: daar is zijn hart thuis. In september gaat hij weer terug. Niks rondreizen in Indonesië. De familie begroeten, de kruidnagelbomen zien, thuis zijn. Hij is en blijft een zoon van Itawaka.

(Dit artikel verscheen eerder in Marinjo. Oom Latu is inmiddels opgenomen in de hemel)

Colijn, militair in het koloniale leger

Colijn

Wie zegt nog meteen “o ja!” wanneer de naam van Hendrik Colijn (1869-1944) wordt genoemd? Ooit was hij minister-president van Nederland. Enkele jaren geleden openbaarde een biografie zijn militaire jaren in Indië, een openbaring die flink wat stof liet opwaaien. Minder bekend is dat hij lange tijd de rechterhand was van generaal Van Heutsz.

Gedurende zijn Indische tijd schreef Colijn met tussenpozen brieven aan zijn echtgenote Helena Groenenberg (1867-1947). Herman Langeveld citeerde in zijn Colijn-biografie Dit leven van krachtig handelen uit deze brieven en plaatste ze in de historische context. Het is een raadsel waarom deze brieven, aanwezig in een Amsterdams archief, nog niet zijn gedigitaliseerd. Ze bevatten tal van details over het militaire leven in de kolonie en over de emoties (of de afwezigheid daarvan) van de deelnemer die Colijn is. Hij was daarin een zoon van zijn koloniale tijd, maar ook een man die zoveel mogelijk probeert een dragelijk tot aangenaam leven te leiden. Zo schrijft hij op 19 oktober 1894 aan zijn vrouw:

Eergisteren had ik een verkenning van de richting van Tjakra Negara met mijn peloton. Toen ik terugkeerde kon ik het niet langer uithouden. Ik zette 1 sergeant & 6 soldaten (Amboneezen) met geladen geweer bij me op posten en ben toen in de rivier gesprongen om te baden. ‘t Was heerlijk! En nu weer genoeg. Ik schrijf spoedig opnieuw. Jij toch ook hè lieveling? Ik ontvang zoo graag een brief van mijn wijfje!

Dat verliefde keert vaak terug in de brieven. Het belang van ‘post van huis’ is universeel in het militaire leven.

Bajonetten

Wanneer Colijn deze en andere brieven schrijft, zit hij bij de stad Tjakra Negara op het eiland Lombok. Hier zouden hevige gevechten plaatsvinden, die bekend werden onder de eufemistische verzamelnaam ‘Lombok-expedities’. Colijn schrijft over de wreedheid van de koloniale oorlog:

Zelfs vrouwen vochten mee, sommigen met kinderen aan de borst.
Ik heb er een gezien die, met een kind van ongeveer 1/2 jaar op den linkerarm, en een lange lans in de rechterarm op ons afstormde. Een kogel van ons doodde moeder en kind.
We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten en ze zoo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk maar ‘t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten.

Helena noteert bij deze passage: “Hoe vreeselijk!” En dat was het ook, vooral de frase “met genot”. Desalniettemin kreeg hij voor zijn optreden de Militaire Willems Orde toegekend. Overigens ligt een deel van de toen geroofde kostbaarheden sindsdien in Nederland, deels in het Rijksmuseum te Amsterdam, deels in het Museum voor Volkenkunde te Leiden.

Schrijver

Dat Colijn een schrijver was, blijkt ook uit de officiële stukken die hij als gezagvoerend militair en later als burgelijk bestuurder schreef. Aan Van Heutsz, wiens adjudant hij wordt in 1904, levert hij dikke pakke nota’s en beschouwingen, zin na zin in kraakhelder Nederlands. Zijn productie neemt toe als hij in 1907 benoemd wordt tot secretaris van het gouvernement. Als de ogen en oren van Van Heutsz is hij in de kleinste uithoeken van de kolonie aanwezig, hij is schijnbaar onvermoeibaar op reis, dag in dag uit. In datzelfde jaar 1907 publiceert hij het vuistdikke boek Politiek beleid en bestuurszorg in de Buitenbezittingen. Hij is dan al militair af, en op weg politicus te worden. Voor Van Heutsz is hij een grote steun: niet alleen door de informatie die hij weet te vergaren, maar ook door de manier van politieke manier waarop hij visies en werkwijzen weet te formuleren. Colijn is scherp, slim en als het moet strategisch.

Geweld

Het is jammer dat de aandacht voor het koloniale verleden zich tegenwoordig zo nadrukkelijk richt op de inzet van militair geweld. Er was nog wel meer gaande in de militaire wereld, zeker in de periode dat Colijn in Indië zat. Toen hij arriveerde begin jaren 1890 was de kolonie grotendeels onbekend terrein en vol van interne oorlogen, wanneer hij in 1910 in Nederland lid van de Tweede Kamer wordt, lijkt de kolonie onder Nederlands bestuur te zijn gebracht. Het verschil? Vooral Van Heutsz, maar ook een man van Colijn.

(Dit artikel verscheen eerder in de rubriek Wapenzuster, in het blad van de bond van Wapenbroeders)

Liedjes over Atjeh

Het was géén geld. Vijf euro voor een biografie van Colijn en een klein merkwaardig boek dat allerlei liedjes over Atjeh bevatte. Daar ging het me om. En meer nog om die Haagse officierenvereniging die het boek samenstelde. Waar zijn ze gebleven?

Op die vraag past een droevig kijken naar de hemel. Fijn dat ze daar allen verzameld zijn, maar jammer dat er voor ons niets meer te vragen valt. Die vereniging heette ‘de oud-Atjehmarechaussee’ en het boek verscheen in 1973, in de tijd dat zo’n vereniging nog niet omstreden was. Nu is alles van en uit het koloniale verleden verdacht, tot het tegendeel bewezen is, wat tegen elk rechtvaardigheidsgevoel ingaat. De mannen laten zich ook zien op foto’s. Ze zien er stoer en gezond uit, maar ja, dat is de foto. Hoe het van binnen is, weten we niet. En welke ledematen er ontbreken onder het uniform, valt evenmin te zien.

De liedjes over Atjeh zijn grotendeels geschreven door Jaf, zoals zijn vrienden hem noemden. Johan Adriaan Fleischer (1888-1957) die van 1919 tot mei 1922 in Atjeh diende. De foto van hem als eerste luitenant laat een intelligente Hollandse man zien, in uniform, het haar in scheiding op drievijfde precies aangebracht, wat hij vast ook zonder spiegel kon. Jaf schreef onbekommerd zijn gevoelens en gedachten op, met een flinke dosis nostalgie en idealisering. Niks oorlogsellende of trauma’s. Volop spannende actie, drank, vrouwen en kameraadschap. In het gedicht ‘Bontgekleurde beelden’ uit 1948 schrijft hij aan het slot: ‘Makkers, dat is lang geleden,/ In die goede oude tijd… /Maar wie eens in Atjeh leefde,/ Raakt die beelden nooit meer kwijt./ Laat ons daarom nog eens drinken / Op ons keurkorps in Atjeh/ En ons lijflied doen weerklinken:/ ‘t is terlaloe manisé’./

En wat Jaf voelde, dat moet die hele vereniging vast ook hebben gevoeld. Er was een feestelijke bijeenkomst in De Witte, waar de hele officiersvereniging een jubileum ging vieren: veertig jaar bestond de club. Ze zijn trots op het bestaan ervan, trots op het verleden, waarin ze helden waren. Pure koloniale sentimenten zoals je ze nu nauwelijks tot niet meer aantreft. Of zijn ze er nog, dwars tegen de tijdgeest in? Dit boek verscheen pas in 1973, dat is een of twee generaties geleden. De club is vermoedelijk opgeheven. De liedjes van Jaf bestaan nog, als getuigen van hoe toen nog gedacht en gevoeld kon worden.

(Deze column verscheen eerder op Dagblad070.nl)

Liefde in koloniale tijden

Wat me aardig begint te irriteren, is het gemak waarmee mensen zonder verstand van zaken een enorme blaaskaakmening te berde brengen. Pas nog moest ik iemand aanhoren die zeker wist dat vroeger in de kolonie elke KNIL-man die een verhouding had met een inheemse vrouw, haar altijd uitbuitte en misbruikte, dus feitelijk was het een soort van slavernij.

Domheid fascineert, een minuut of wat. Daarna besef je dat er geen beginnen aan is, want hoe kun je iemand die kleurenblind is het verschil uitleggen tussen groen en blauw? Toch probeerde ik het, wat van mij weer dom was.

Romantiek in de koloniale tijd is verdacht in onze maatschappelijke discussies over het koloniale verleden. Niks uit die tijd mag goed of lief zijn geweest, ook al waren er nog zoveel mensen die elkaar vonden en trouw bleven, tientallen jaren lang en zonder de rommel van Valentijnspullen die er nu aan te pas moeten komen.
Ik ken heel wat waargebeurde liefdesverhalen uit Indië die om te smelten zijn, zo romantisch. Piet ziet Djemini. Zij ziet hem. Moeilijkheden. Overwonnen. Ze trouwen. Kinderen. Er is een foto waarop het hele gezin in een tuin zit, Piet als een gelukkig man met zijn samengestelde familie om zich heen, van alle leeftijden, Hollands, Indisch, Indonesisch door elkaar heen. Dat je weet: zó kan de liefde zijn. Er zijn meer romantische verhalen, met in de hoofdrollen een militaire man en een inheemse vrouw. Hun kinderen en kleinkinderen weten nóg hoe ze elkaar konden aankijken.

Als ik dit verhaal vertel tijdens een lezing, staat er elke keer iemand op die een betoog begint met “Of ik wel weet dat” en dan komt er een duister verhaal over zowat slavernij enzovoort enzovoort. Hoe raar is dat toch. Ik spreek over ballonnen en een toehoorder is woest omdat ik het niet over slingers heb. Meestal luister ik kort voor de beleefdheid en dan buig ik het verhaal af met een: “Dat neem ik mee.” Waarheen, zeg ik er niet bij. Dat is óók beleefd.

Van de weeromstuit groeit het rebelse gehalte van mijn karakter. Tegenspreken waar het kan, wijzen op romantiek in Indië die aanwezig was in kampongs en kazernes, en in februari zeg ik er voor de actualiteit dan bij dat er voor ware romantiek geen Valentijnskaart aan te pas hoefde te komen. U heeft geen idee hoe snel mensen dáárvan op tilt slaan.

 

(Deze column verscheen eerder op Dagblad070.nl)